Evie Embrechts

In heel wat feministische kringen, zeker de academische, is postmodernisme zowat de algemeen aanvaarde ideologie. De andere stromingen zijn zogezegd verouderd of verkeerd. Tijd voor een kritische kijk op deze alomtegenwoordige stroming.

Volgens postmodernisten hadden we vroeger grote verhalen die vanuit een autoriteitspositie aan ons werden opgedrongen. Postmodernisme betekende de dood van die grote verhalen en bracht een heleboel correcties aan over hoe relatief alles wel was, contextueel, ieder haar/zijn standpunt, et cetera. Ook woorden zijn niet neutraal en deze stroming beweert andere woorden te zoeken die niet vanuit onderdrukkende systemen geconstrueerd zijn. Met deze vorm van feminisme, claimt men, zullen nu eindelijk alle mensen die voorheen uitgesloten waren van macht, een stem krijgen. Er is ook een psychoanalytische tak; psychoanalyse is een nogal verguisde stroming die hier toch weer wordt opgepikt, vooral voortbouwend op het werk van Jacques Lacan.

Nu is het natuurlijk zo dat niet alles van postmodern feminisme zomaar over één kam te scheren valt. Maar eigenlijk wel het grootste deel, of de centrale lijn ervan – ondanks het geloof van de beoefenaars in hun niet in hokjes vatbare diversiteit. Deze kritiek gaat dan ook over enkele tendensen van dit postmodern kader. Niet iedereen zal zich hierin herkennen, maar dat is alleen maar goed nieuws.

Postmodernisme is echter niet gewoon weer een nieuwe manier van analyseren, de laatste academische mode. Het vormt momenteel een bedreiging voor een feminisme dat effectief wil ingrijpen in de realiteit. Het is een stroming die niet los van de historische context gezien mag worden. Niet toevallig valt de opkomst van postmodernisme samen met het uitroepen van de dood van de grote politieke verhalen – de Berlijnse muur was gevallen, het zogenaamd communistische blok was ingestort en het kapitalisme werd als wereldwijde norm onzichtbaar gemaakt. Kapitalistische opiniemakers riepen het zogenaamde einde van de geschiedenis uit.

“Postmodernisme is de ideologie van het neoliberalisme. De liberale focus op individualisme wordt erin gereflecteerd.”

In het wereldsysteem waarin wij leven wordt ook in voortdurende wisselwerking een ideologie gevormd die past bij dat systeem. En dat is wat postmodernisme is: de ideologie van het neoliberalisme. De liberale focus op individualisme wordt gereflecteerd in postmodernisme. Het effect, ongeacht de vast goede bedoelingen van vele beoefenaars, is het behoud van de huidige gang van zaken en het opnieuw plaatsen van feministische theorievorming in de handen van een elite van academische intellectuelen.

Enkele voorbeelden

Hoe interessant kritieken op grote verhalen ook zijn, tegenwoordig zien we het omgekeerde probleem – er is niet te weinig relativering, er is er teveel. Er wordt zoveel weggerelativeerd dat er niets meer overblijft, niemand durft nog een stevig standpunt innemen, stel je voor dat je een valse veralgemening zou verkondigen. Spreken van een systematische onderdrukking van bepaalde groepen mag niet meer:

‘Calling Papuans “oppressed” solidifies the process of object construction, naturalizing the group rather than seeking to understand their strategies of analysis.’[1]

Er zijn merkwaardig veel feministes die zich niet expliciet postmodern noemen maar toch sterk beïnvloed zijn door dit soort denken. Ik merk een soort angst om nog te zeggen dat bijvoorbeeld vrouwen een onderdrukte groep zijn, toch een noodzakelijk en fundamenteel uitgangspunt van feminisme.

In het postmodernisme worden voortdurend nieuwe woorden bedacht en ontstaan allerlei vernieuwende processen. Als je niet “problematiseert” of “deconstrueert”, ben je niet hip genoeg.’Catachresis’ is nog zo’n woord, dat we aan Jacques Derrida te danken hebben:

‘whatever the identitarian ethnicist claims of native or fundamental origin… the political claims that are most urgent in decolonized space are tacitly recognized as coded within the legacy of imperialism: nationhood, constitutionality, citizenship, democracy, even culturalism. {…} They’re being reclaimed, indeed claimed, as a concept-metaphor for which no historically adequate referent may be advanced from postcolonial space, yet that does not make the claims less important. A concept-metaphor without an adequate referent is a catachresis.’ [2]

Op zijn zachtst uitgedrukt denk ik dat dit wel iets eenvoudiger kan worden omschreven. Judith Butler heeft ook eens een ‘bad writing contest’ gewonnen met de volgende alinea:

‘The move from a structuralist account in which capital is understood to structure social relations in relatively homologous ways to a view of hegemony in which power relations are subject to repetition, convergence, and rearticulation brought the question of temporality into the thinking of structure, and marked a shift from a form of Althusserian theory that takes structural totalities as theoretical objects to one in which the insights into the contingent possibility of structure inaugurate a renewed conception of hegemony as bound up with the contingent sites and strategies of the rearticulation of power.’

Nogmaals, niemand schrijft perfect leesbaar maar het maakt deel uit van een patroon: toch wel bijzonder complexe formuleringen voor iets dat veel eenvoudiger kan worden geschreven. De vraag is wat er dan nog overblijft. Het zal in ieder geval een stuk minder elitair overkomen. Bovenstaande voorbeelden zijn nog niet eens bij de minst leesbare, teksten van bijvoorbeeld Derrida, Irigary en anderen zijn soms zo obscuur dat het grappig wordt.

Interessant hierbij is het verhaal van Karla Mantilla, redactrice van Off Our Backs. Ze vertelt in een erg boeiende tekst rond de politiek van postmodernisme over een stagiaire die in de war raakte omdat ze geconfronteerd werd met anti-abortus activisten:

‘One intern, assigned to cover an anti-choice event, became confused about how “You can’t say that anti-choicers are wrong -they have a viewpoint too. You really can’t say any viewpoint is wrong.”  She actually became confused about her stand on abortion after hearing the fervent beliefs of anti-choicers. Not that she was convinced by the merits of their arguments – that would have been at least an honest mistake. It was her inability to hold any argument as being more valid than another, so that as long as there are competing positions on any topic, she seemed unable to take a stand on it.[3]

En dat is een heel droevige evolutie in het feminisme. Ik kom wel eens mensen tegen die, als je eender welk onderwerp vernoemt, onmiddellijk een lange lijst van auteurs kunnen aframmelen. Hun eigen mening is helaas vaak ver te zoeken. Hetzelfde soort mensen die, als je zegt dat je een probleem hebt met een bepaald seksistisch fenomeen lekker betuttelend zeggen “ja, dat is een standpunt”. Op die manier wordt het concept van activisme onderuit gehaald. Activisme kan niet bestaan als mensen aannemen dat elke ‘mening’ even geldig is. Wat daarbij dan mankeert, is een machtsanalyse en een gezonde portie realiteitszin. Het mag populistisch klinken, maar ik heb er een hekel aan dat mensen wat in het ijle zitten te filosoferen terwijl er zoveel mensen hun levens aangetast of verwoest zien door allerlei effecten van seksisme, van vrouwenhandel over partnergeweld tot sociale uitsluiting. Ga eens iets nuttigs doen, zeg. Maar dat zou het innemen van een echte positie betekenen en dus mogelijks carrièremoeilijkheden opleveren[4].

Onleeswekkend

I used to hate writing assignments, but now I enjoy them. I realized that the purpose of writing is to inflate weak ideas, obscure poor reasoning, and inhibit clarity. With a little practice, writing can be an intimidating and impenetrable fog!
―Bill Waterson, Calvin & Hobbes

Er is erg veel te doen in postmoderne teksten rond woordgebruik. De manier waarop we over bepaalde onderwerpen spreken is natuurlijk belangrijk. Het woordgebruik is echter al een probleem op zich: veel van die teksten zijn werkelijk onleesbaar. Er is veel geweeklaag over hoe moeilijk het toch is om te schrijven.

Neem Judith Butler bijvoorbeeld, misschien nog de meest verdienstelijke van de postmoderne stroming. Haar bekendste boek Gender Trouble is afschuwelijk slecht geschreven. Ligt dat dan aan Butler? Misschien. Niet iedereen hoeft even goed te schrijven. Maar als alle andere postmoderne filosofen even onleesbaar en cryptisch werk produceren, denk ik dat er meer aan de hand is dan toeval.

Het feit dat iets rust op jarenlang werk van andere filosofen is geen excuus. Ik heb zelf bijvoorbeeld weinig filosofische vorming gehad, toch kan ik zonder veel moeite werk lezen van bijvoorbeeld Simone de Beauvoir. Ik heb geen rechten gestudeerd, ik kan met wat concentratie prima de redeneringen van feministisch juriste Catharine MacKinnon volgen. Maar Butler, Derrida… mijn brein kruipt uit mijn hoofd en zet het op een lopen om de onzin te ontwijken…. zo voelt het. Als ik al niet in de lach schiet, in feite een gezond verdedigingsmechanisme dat optreedt, geconfronteerd met dergelijke warrige als inzichtelijk voorgestelde onzin. Maar het effect op feminisme is eigenlijk niet zo grappig.

Ik heb op heel wat conferenties gezeten waarin ik duidelijk bepaalde spreeksters zag proberen hun boodschap in het postmoderne jargon te verpakken om dan te struikelen over hun eigen woorden[5]. Op een recent congres waarbij een van de bekende post-koloniale academici sprak, Giyatri Spivak, merkte Anja Meulenbelt – een feministe met tientallen jaren ervaring – op dat ze na tien minuten eigenlijk niet meer mee was.

“Ik koop wat boeken van Spivak. In mijn hotelkamer (…) doe ik ‘s avonds mijn best, maar ook op papier is het bepaald niet eenvoudig om Spivak te kunnen volgen. Veel concessies aan de mensen die Derrida of Foucault niet in hun broekzak hebben zitten, doet ze niet, even een term met een voorbeeld uitleggen is er ook niet bij.”[6]

Meulenbelt schrijft trouwens ook over Spivak: “het gegeven dat je je wel erg nederig en een beetje dom gaat voelen in het schijnsel van dat powerhouse.” Is dat de bedoeling, dat we ons opwerken tot onbegrijpelijke en intimiderende mensen die anderen zich dom doen voelen?

Er kunnen daar natuurlijk verschillende verklaringen voor zijn. Ten eerste: het komt omdat een aantal mensen de achtergrond niet begrijpen. Dat kan. Ik zou ook niet zomaar iets begrijpen van een boek over hogere wiskunde of quantumfysica voor gevorderden. Met dit artikel wil ik zeker geen pleidooi voor populisme houden. Niet alle teksten zijn zomaar voor iedereen direct leesbaar. Maar, zoals bijvoorbeeld Chomsky terecht opmerkt[7], in andere domeinen kan je uitleg vragen aan een expert en dan kan die zonder al te veel moeite een beschrijving geven waar een leek toch iets van kan begrijpen. Dat is niet zo met postmodernisme.

Het kan ook zijn dat mensen zoals Anja Meulenbelt, Catharine MacKinnon, mijn collega-feministes en ikzelf gewoon te dom zijn om het te begrijpen. Stel nu nog dat dat zou zijn, dan betekent dat dat aan een hele generatie van activisten die soms al tientallen jaren bezig zijn en experts zijn op heel wat gebieden, die fantastisch nieuwe inzichten niet kunnen uitgelegd worden. Dus zijn die inzichten nutteloos voor het gros van de feministische beweging.

Er is ook een veel meer voor de hand liggende verklaring. Dat is dat de teksten niet geschreven zijn om ze te begrijpen, maar juist het tegengestelde effect tot doel hebben.

“Er zijn veel feministische activistes die klagen over het elitisme in dergelijke teksten en het effect dat het veel mensen uitsluit van wat toch een emancipatorische stroming beweert te zijn.”

Eigenlijk kan niemand nog uitleggen waar het precies over gaat en dat is geen toeval, dat is omdat er veel minder achter zit dan het moeilijke woordgebruik zou laten uitschijnen. Er zijn veel feministische activistes die klagen over het elitisme in dergelijke teksten en het effect dat het veel mensen uitsluit van wat toch een emancipatorische stroming beweert te zijn[8].

Wetenschapper Alan Sokal slaagde erin een volledig nepartikel ingediend en gepubliceerd te krijgen, een werkelijk hilarische tekst over de sociale constructie van de zwaartekracht[9]. Het voldeed aan de stijleisen: het mengde een heleboel populaire termen (quantum!), het was onbegrijpelijk en het citeerde een heleboel bekende charlatans. Het mag niet verbazen dat er snelsnel allerlei verdedigingen werden bedacht en Sokal hard werd aangevallen.

Recuperatie van bestaande feministische inzichten

Eén van de meest vervelende leugens van academisch postmoderne feminismtes is dat de inzichten die ze hebben nieuw zouden zijn. Neem Judith Butler bijvoorbeeld, met alle respect voor haar inzet en werk maar haast al haar ideeën waren in de tweede feministische golf ook al uitgewerkt en gebruikt. Dat hoeft ook geen probleem te zijn, iedereen die schrijft bouwt voort op eerder bestaand werk en het is juist enorm nuttig om te leren van allerlei bronnen. Maar heel wat bestaande feministische inzichten worden niet alleen zomaar overgenomen door dit postmodernisme: ze worden voorgesteld als vernieuwend, alsof ze nooit eerder bestonden.

Om beter te lijken moeten bestaande visies op feminisme aangevallen worden. Er wordt bijvoorbeeld een karikatuur van het radicaal feminisme gecreëerd, om die dan belachelijk te kunnen maken. Radicaal feministes willen het patriarchaat omverwerpen maar ze zijn essentialistisch, dus dat is slecht. Maar integendeel : àls er al iemand bezig was met de sociale constructie van wat we tegenwoordig gender moeten noemen was het wel de radicaal feministische stroming.

De typische postmoderne focus op taal is er ook niet zomaar. Taal is natuurlijk heel belangrijk. Discoursanalyse, allemaal interessant maar het is niet zo dat “voor” het postmodernisme mensen niet wisten dat woorden belangrijk zijn en dat teksten met een bepaalde agenda en in een bepaald kader geschreven worden. Maar er is ook nog iets anders dan taal. Er is ook nog een realiteit waarin jaarlijks honderdduizenden vrouwen slachtoffer worden van verkrachting, partnergeweld, vrouwenhandel…  Dit klinkt misschien in sommige oren ouderwets maar mij lijkt dat belangrijker dan taal.

Recuperatie

Maar nog belangrijker lijkt mij toch de recuperatie van andere vormen van feminisme. Een tijd geleden belandde ik nog eens in een universiteitscafé. Een student filosofie riep me toe dat feminisme niet bestaan zou hebben zonder Foucault en Derrida. Hoewel haast niemand zo negationistisch te werk zal gaan, duidt dat soort incidenten toch op een probleem met de geschiedschrijving van het feminisme. Het is ook geen toeval dat beide genoemde filosofen mannen zijn.

Kritiek op posities van objectiviteit en neutraliteit, gender als sociale constructie, de sociale constructie van de menselijke leefwereld, een soort genderdeconstructie als verzet: dat alles was al lang voor het postmodernisme gekend.

Neem bijvoorbeeld de ideeën die de meeste mensen van Butler overhouden. Het idee dat gender een performantie is en een sociale constructie. Of, moeilijker gezegd, gender samengesteld is uit performatieve processen – wat bijna hetzelfde is maar “juister” klinkt – mensen die zich dan vergissen kunnen lekker gecorrigeerd worden. Dus, mensen “doen” hun gender. Vrouwen spelen elke dag toneel bijvoorbeeld. Dat klopt. En dergelijke ideeën vind je terug bij ongeveer elke feministe die je tegenkomt, in publicaties van bijvoorbeeld begin jaren 1980 – o.a. Marilyn Frye schreef hier erg grappig en inzichtelijk over – teruggaande tot de jaren 1950, bijvoorbeeld Simone de Beauvoir (“On ne naît pas femme, on le devient”) en zelfs eerder. En het zijn precies die feministes, die al eerder hierover bezig waren, die nu de beschuldiging krijgen dat ze essentialistisch te werk gaan.

Nu zijn er twee opties: ofwel zijn de postmoderne filosofen die dit eerdere werk doodzwijgen te goeder trouw, en weten ze gewoon niet veel over de geschiedenis van feminisme, wat me pijnlijk lijkt voor zogenaamde intellectuelen, of ze vertekenen bewust het werk van feministische voorgangers om hun eigen werk belangrijker te maken[10].

Op een bijzonder inhoudsloze conferentie over “Feminism & politics” aan de universiteit Leuven[11] besprak een spreekster de verschillende stromingen van feminisme. “Radicaal feministes vochten tegen een systeem van seksisme maar die waren verkeerd want essentialistisch. Postmodern feminisme was veel beter : we doen dan aan verzet door individuele genderdeconstructie.”

Dat individualisme is een belangrijk aspect binnen het postmodernisme: je mag niet meer praten over structurele onderdrukking, nu zijn we post-structuur, er zijn enkel nog gelokaliseerde disrupties en contestaties – ruwweg het idee dat je jezelf kan bevrijden als je… ja, wat eigenlijk? Een mannenpak aandoet en een snorretje tekent? Macht, altijd een probleem geweest binnen veel stromingen, verdwijnt hier weer tussen de gaatjes.

Butler (…) defines radical politics as consisting of parodic performances that might undermine what she calls “naturalized categories of identity.” Butler’s understanding of radicalism shows how the meaning of the word has changed in the postmodernist arena. It no longer has to do with efforts to achieve a more egalitarian society. It refers to the creation of an arena in which the imagination can run free. It ignores the fact that only a privileged few can play at taking up and putting aside identities. – Barbara Epstein, Postmodernism and the Left[12]

Niet dat ik tegen dit soort gedrag ben, integendeel. Ik vind het vaak erg grappig om te zien en het kan mensen soms wakker schudden. Als je er een tijdje bij stilstaat, zie je hoe belachelijk het gendertoneelstuk is dat wij moeten spelen, en dat op de korrel nemen is leuk en nodig. Maar als feminisme schiet het te kort, tenzij als onderdeel van een bredere strategie van verzet. En zoals Barbara Epstein zegt, dit soort spel kunnen doen is een privilege.

Woorden en de realiteit

Alle bevrijdingsbewegingen zijn gebaseerd op het veranderen van de concrete realiteit: armoede bestrijden, milieuvervuiling voorkomen, geweld aanpakken, mensen bevrijden uit gevangenissen… Woorden zijn ook belangrijk, omdat die gebruikt kunnen worden om de werkelijkheid anders voor te stellen, problemen te bedekken of bepaalde keuzes onzichtbaar te maken. Mensen zonder papieren worden illegalen genoemd, mensen die aardappels uittrekken in een ggo-proefveld zijn terroristen; of een bepaalde groep in de media wordt voorgesteld als vrijheidsstrijders dan wel extremisten maakt een groot verschil in onze perceptie over die groep, wat een bevrijdingsstrijd kan bemoeilijken. Als feminisme voortdurend wordt afgeschilderd als voorbijgestreefd of te extreem in plaats van een vrij logische reactie op eeuwen uitbuiting, seksueel geweld, mensenhandel… vindt die beweging minder gemakkelijk aansluiting bij een breed publiek. Maar het uiteindelijke doel blijft toch het veranderen van de realiteit, het veranderen van het woordgebruik kan een middel zijn maar geen doel.

Ook in linkse academische kringen zie ik dit probleem verschijnen. Veel mensen die zichzelf progressief noemen zijn in de val getrapt en langzaam, soms ongemerkt, beïnvloed door de postmoderne norm. Ik reageerde op een conferentie[13] eens op een opmerking van filosoof Etienne Balibar. Hij vertelde over verschillende systemen van onderdrukking. Volgens hem “grijpen die in elkaar maar overlappen elkaar niet helemaal – er zijn openingen.”  Ik vroeg of die openingen ons dan een manier geven om die systemen aan te vallen. Zijn antwoord was “Het is duidelijk dat er verschillende vormen van discours nodig zijn”.

Vervelend is ook dat het ‘pomo’ feminisme zo alomtegenwoordig is dat het de stemmen van meer kritische feministes verdringt en dat het gereedschap en de analysemethodes die de ‘porno’ strekking aanbiedt, grotendeels machtsblind zijn. Het gezwets over empowerment is hier een goed voorbeeld van. Empowerment in de huidige context is niets meer dan een feel good term: omdat een heleboel mensen denken dat we de wereld niet structureel meer kunnen veranderen, gaan we dan maar onszelf als individu empoweren. Onderdrukking is helaas een objectief gegeven, niet iets waar je je uit weg kunt mediteren.

Empowerment is not just a feeling. To get power, you have to take it, and that means you need to try to understand where it is and who has it and how they use it; and you would also do well to have some positive vision of what you would do with power if you had it.”  — Rebecca Whisnant, Beyond Multiple Choice[14]

Idem voor al het gedoe over performantie. Academische feministes schrijven papers over gender als performantie. Het probleem is dat de mogelijkheid om gender slechts als een performantie te beschouwen een privilege is. Een privilege dat transseksuele personen bijvoorbeeld vaak niet hebben, dan is gender soms letterlijk een kwestie van leven of dood. De grappige, pseudo-intellectuele artikels die we dan zien verschijnen over de clevere performantie van die of die laten een wat wrange nasmaak na in het licht van het geweld en de zware problemen die transpersonen vaak ondervinden.

Na het gaan liggen van de tweede feministische golf was er een periode met minder radicale strijd, minder grassroots, minder feministische omgevingen. Feminisme kwam enorm onder vuur te liggen en de kritische massa om aan die druk te weerstaan was er niet meer.

In een dergelijke realiteit is het moeilijk om nog effectief feminist te zijn. Tezelfdertijd zijn er heel wat vrouwen die wel nog het idee hebben feministe te willen zijn, en zich niets willen laten opleggen door anderen. Voor hen is postmodern feminisme de ideale stroming: het klinkt allemaal goed en rebels, maar houdt geen werkelijke confrontatie met de status quo in. Dat is ook een van de redenen voor het ontstaan van een feminisme dat de opkomende pornocultuur omarmd heeft, zoals Rebecca Whisnant argumenteert: “if you can’t beat them, join them”.

Besluit

Postmodernism’s analysis of the social construction of reality is stolen from feminism and the left but gutted of substantive content— producing Marxism without the working class, feminism without women. – Catharine MacKinnon

Op zijn best kan je zeggen dat postmodern feminisme een soort speelgoed is, een vingeroefening voor intellectuelen. Werk waarin mensen voortdurend gooien met onleesbare zinnen en obscuur jargon lijkt meer bedoeld om de aandacht van iets weg te houden. Er wordt namelijk niet veel zinnigs of nieuws gezegd.

Hierbij moet ik steeds aan het verhaal van de keizer en zijn kleren denken: iedereen applaudisseert en zegt “Hoe prachtig! Wonderlijk!”, terwijl ergens vaag het besef opduikt dat er iets niet klopt. Niemand durft iets te zeggen uit angst voor dom – of nog erger: niet cool – versleten te worden. Heb jíj al Foucault en Derrida gelezen? Nee? Dan kan je niet echt iets weten over feminisme!

Het eigenlijke effect van postmodernisme is de realiteit zelf te doen verdwijnen achter muren van onleesbaar discours, warrige zinstructuren en hoogdravende verdedigingen van geïdealiseerde fantasieën. “There’s no such thing as reality”, zou Thatcher kunnen geschreven hebben in een meer postmodern moment. Na alle dure woorden blijven het neoliberalisme en de patriarchale cultuur netjes overeind.

Laten we luid roepen: “de keizer heeft geen kleren”, en dan verder werken aan een stevig feminisme.

Meer lezen hierover?

Postmodern feministisch werk is gemakkelijk te vinden, de kritiek krijgt lang niet evenveel aandacht. Daarom alvast een paar leestips voor de geïnteresseerden: