Ida Dequeecker

1348776129_inpakdozen-en-tassen-leitz-archiefdoos-wow-c-s-a4-or-604444De geschiedenis van deeltijd werk is heel instructief, zowel voor de tegengestelde belangen van werknemers en werkgevers, de gevolgen voor vrouwen, de rol van de politiek en van de vrouwenbeweging en haar emancipatiestrategieën. We doken in ons (rommelig) archief en vonden een stuk terug, geschreven naar aanleiding van het sociaal pakt over sociale zekerheid, tewerkstelling en competitiviteit van 1993. Het verscheen in Rood, het blad van de SAP. Hier volgt het deel over deeltijds werk.

 Een selectieve terugkeer naar de haard?

Vormen van vrijwillig deeltijds werk, voltijdse of deeltijdse loopbaanonderbreking, in- en uitgroeibanen… zijn de formules van arbeidsherverdeling die de regering op het oog heeft voor het sociaal pakt. Ze zijn individueel en gaan hand in hand met looninlevering en flexibiliteit. Die formules zijn niet nieuw. Vooral vrouwen weten ervan mee te spreken: in de afgelopen 10/15 jaar draaiden zij al via deeltijds werk en loopbaanonderbreking op voor een eerste massale eenzijdige en dus ongelijke arbeidsherverdeling. Die politiek steunde op de diepgewortelde opvatting dat vrouwen altijd kunnen terugvallen op het gezin en het inkomen van hun man. Een van de sluipende gevolgen ervan was dat de structurele ongelijkheid tussen mannen en vrouwen, maar ook tussen vrouwen onderling inzake inkomens, tewerkstellingskansen en plaats in het gezin groter werd. (…) Zo groeit een situatie waarin vrouwen met een goedbetaalde baan hun emancipatieproces voortzetten, terwijl hun minder fortuinlijke zusters op een bepaalde manier terug naar de haard worden gestuurd. Alvast ook geen gemakkelijke kluif voor de vrouwenbeweging, waar het debat over emancipatiestrategieën terug oplaait.

Herverdeling en flexibiliteit

“Carrière à la carte” is de welluidende uitdrukking van Minister Smet, die suggereert dat men afwisselend en naar behoefte allerlei formules van werkherverdeling binnen een beroepsloopbaan kan toepassen.

De werkelijkheid is anders. Beginnen we bij deeltijds werk. 70% van wie onvrijwillig deeltijds werk aanvaardde kreeg nooit een kans op voltijds werk!

Deeltijds werk is immerse en structureel gegeven van de arbeidsmarkt geworden, geconcentreerd in vrouwenfuncties (verkoopsters, poetsvrouwen, bedienden…) en –sectoren (grootwarenhuizen, poetsbedrijven…). Na de invoering van de stage voor jongeren in 1976 was deeltijds werk in de jaren 80 het speerpunt van de politiek inzake flexibiliteit. Het was het alternatief van het patronaat voor de syndicale eis van werktijdverkorting voor iedereen. Doel was een herverdeling van het werk op basis van een soort gezinsmodulatie (1,5 inkomen per gezin) en invoering van flexibiliteit (bv. variabele uurroosters, een gemiddelde werkduur per week, stand by contracten enz.).

Toen bleek dat vrouwen niet zo spontaan te vinden waren voor deeltijds werk (tussen 73 en 77 was het aantal deeltijdsen gestegen van 136.000 tot 216.000, daarna stagneerde hun aantal), lanceerde de regering in 1981 het stelsel van onvrijwillig deeltijds werk met aanvullende werkloosheidsuitkeringen (wet van 23 juni 1981). Het aantal deeltijdsen steeg tot zo’n 440.000 (waaronder 400.000 vrouwen) in 1991, vooral doordat er een 200.000 onvrijwillig deeltijdsen bijkwamen.

Pas in 1989, als het deeltijs werk stevig “ingeburgerd” is, wordt het, samen met loopbaanonderbreking, door Minister van Arbeid en Tewerkstelling Van den Brande voorgesteld als een maatregel om gezin en arbeid te combineren. Wanneer begin jaren 90 deeltijd werk op grote schaal een feit is, wordt, bij wijze van besparing, de bijkomende uitkering van onvrijwillig deeltijdsen verminderd terwijl ze nu ook geschorst kunnen worden omwille van abnormaal langdurige werkloosheid. Sinds dit jaar is de onvrijwillig deeltijdse arbeid met aanvullende uitkering een uitstervende soort: vanaf 1 juni 1993 (KB van 25 mei 1993) bestaan er enkel nog vrijwillig deeltijdsen en is een deeltijdse baan vanaf 13u/week ook een “passende dienstbetrekking”, die je niet kan weigeren, op straffe van verlies van het recht op werkloosheidsuitkering. Het recht op voltijds werk is hiermee definitief gelikwideerd.

Vrouwen stonden in de vuurlinie voor de invoering, sinds het einde van de jaren 70, van een hele batterij van zogenaamde “atypische arbeidsovereenkomsten”, die tegemoet komen aan de patronale behoeften aan flexibiliteit en soepele aanwervings- en afdankingsprocedures (overeenkomsten voor bepaalde tijd, voor een tijdelijk werk, voor een duidelijk omschreven werk, voor uitzendarbeid, voor deeltijds werk, voor thuisarbeid, vervangingsovereenkomst, stageovereenkomst, verruimd proefbeding). Vandaag zijn ongeveer 20% van alle werknemers gebonden door zo’n arbeidsovereenkomst, die afwijkt van de typische arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

Dualisering

De hierboven beschreven maatregelen gaan uiteraard slechts een deel van de vrouwen aan. Naast de deeltijdsen, de werklozen, de tewerkgestelden in precaire statuten, de zwartwerksters en de huisvrouwen zijn er ook hooggeschoolde vrouwen die een goedbetaalde baan hebben. Gaan we naar een situatie waarin deze vrouwen in groeiende mate beroep kunnen doen op een (slecht)betaalde huishoudelijke hulp, die ze recruteren uit het leger van ondertewerkgestelde, laaggeschoolde vrouwen, die het moeilijk hebben om de eindjes aan mekaar te knopen?

Zo dreigt emancipatie een zaak te worden van de beter gesitueerde vrouwen, die wel geconfronteerd worden met carrièrebelemmeringen, ongewenst seksueel gedrag op het werk, politieke discriminatie enz., maar waarvoor ze kunnen rekenen op aangepaste maatregelen van de bevoegde minister!

Alternatief

In de jaren 70 tot begin 80 voerde de vrouwenbeweging ondubbelzinnig en eensgezind actie voor het recht op volwaardig werk en een radicale arbeidsduurvermindering zonder loonverlies voor iedereen. Op de vrouwendag in Turnhout vorig jaar bevestigde het Vrouwen Overleg Komitee dat standpunt tegen de stroom in.

Maar in de vrouwenbeweging gaan ook stemmen op voor een strategie van herwaardering van de vrouwelijke zorgsfeer, bv. via een basisinkomen voor iedereen. Mieke Vogels heeft zich o.m. opgeworpen als de spreekbuis van die idee. Aan de vrouwenbeweging verwijt ze dat ze met de eis van voltijds werk en werktijdverkorting een onbereikbaar mannenideaal nastreeft en vrouwen opzadelt met schuldgevoelens en een dubbele dagtaak. Ongetwijfeld vertolkt ze daarmee op een bepaalde manier de onvervulde wens van overbelaste vrouwen om ontlast te worden. Maar de vrouwenbeweging verwijten maken is wel heel simplistisch.

Het beleid tav de inschakeling van vrouwen in het (loon)arbeidsproces is altijd dubbelzinnig geweest. Enerzijds steunt het (soms expliciet, zoals in de jaren 30, soms impliciet, zoals in de afgelopen 20 jaar) op de maatschappelijke verwachting dat vrouwen in de eerste plaats de zorg voor het gezin op zich nemen, anderzijds speelt het in op de patronale wens dat ook vrouwen hun arbeidskracht aanbieden op de arbeidsmarkt. Tussen de twee polen van die dubbelzinnigheid wordt het emancipatieverlangen van vrouwen heen en weer geslingerd.

In de afgelopen 20 jaar is de vrouwelijke tewerkstelling spectaculair gestegen, maar tegelijkertijd zitten vrouwen nog steeds geconcentreerd in een perspectiefloos segment van de arbeidsmarkt, verdienen ze gemiddeld 25 tot 30% minder dan mannen, al is hun loon een onmisbare component geworden van het gezinsinkomen en worden ze nog altijd opgezadeld met de fameuze dubbele dagtaak. Dat is niet de schuld van de vrouwenbeweging, die precies daartegen opkomt, maar wel van de kapitalistische structuur van de maatschappij.

Zoals een radicale werktijdverkorting er niet vanzelf komt, zal ook het basisinkomen er niet vanzelf komen. Ze kunnen wel tegen elkaar afgewogen worden als alternatieven die begaan zijn met het opheffen van de ongelijkheid tussen mensen. De idee van basisinkomen wordt verbonden met de vaststelling dat voltijds werk voor iedereen niet meer kan. Het wil inkomen loskoppelen van werk en legt zich dus neer bij de ongelijkheid die voortvloeit uit het al dan niet toegang hebben tot diverse vormen van betaald werk, kapitaalsbezit en productie. De idee van werktijdverkorting voor iedereen met behoud van loon betwist de huidige patronale invulling van voltijds werk, geeft er een eigen invulling aan, ingegeven door de wil om de beschikbare arbeid en rijkdom te verdelen over iedereen en de controle erover te betwisten op de patroons.

De definitie van voltijds werk is geen objectief gegeven, maar het voorwerp van strijd tussen arbeid en kapitaal. Daarop toegeven is vrij spel geven aan het beleid dat, oog in oog met een ongeëvenaarde structurele werkgelegenheidscrisis, is afgestapt van een politiek die, al was het maar in woorden, uitging van het recht op een voltijdse baan en een volwaardig inkomen voor iedereen en afstevent op een selectieve en gedwongen gedeeltelijke terugkeer van vrouwen naar de haard.