Ida Dequeecker

Oorspronkelijk verschenen in Configurations of Culture, Essays in honour of Michael Windross, Garant 2003.

“Gender” is in. In de betekenis van sociaal-cultureel geconstrueerde vrouwelijkheid/mannelijkheid, als onderscheiden van de natuurlijke biologische sekse, is het een onmisbaar begrip geworden in de feministische theorievorming en in het gelijke kansenbeleid. “Gender equality”, “gender mainstreaming”, “genderanalyse”, “gender bias”, “genderrol, zelfs “genderen” en “gegenderd” zijn in onze taal ingeburgerd. “Gender” is slachtoffer van zijn populairteit.

Ooit bedoeld als feministisch analyse instrument, wordt “gender” vandaag gebruikt in een maatschappijkritische context, maar ook in een maatschappijbevestigende, in een subversieve of gewoon roldoorbrekende betekenis maar ook in een rolbestendigende. De éne betekenis van “gender” is dus zeker de andere niet, al behoudt het woord zijn feministische glans.

In dit artikel wil ik ingaan op de betekenis van “gender” in het Vlaamse Gelijke Kansen beleid.

Gender, een nieuw analytisch concept

tumblr_lq17xb4mvK1qe0cm1In tegenstelling tot wat vaak beweerd wordt om de overname van een Engelse term te rechtvaardigen, heeft het woord gender dezelfde betekenissen als het woord geslacht, namelijk zowel het grammaticaal geslacht van een woord als de sekse van een levend wezen.

De betekenis van “gender” als sociaal-cultureel geconstrueerde vrouwelijkheid/mannelijkheid is relatief nieuw en is vooral geassocieerd met de tweede feministische golf. Die creëerde het uit nood aan een adequaat concept voor de analyse van vrouwenonderdrukking. In het kielzog van Simone De Beauvoir (1969: 285), die betoogde “On ne naît pas femme, on le devient”, en van Alice Schwarzer (1975), die in 1975 de gevleugelde woorden “Het kleine verschil met de grote gevolgen” bedacht, kregen de woorden sex en gender een specifieke betekenis in een poging om een begrippenkader te ontwerpen voor het onderscheid tussen natuur en cultuur met betrekking tot vrouwen en vrouwelijkheid en mannen en mannelijkheid..

De eerste heldere formulering van dit begrippenkader –en ik herinner me levendig de indruk die ze op me maakte- is het “sex/gender systeem” van Gayle Rubin (1975: 165):

“Every society has a sex/gender system – a set of arrangements by which the biological raw material of human sex and procreation is shaped by human, social intervention and satisfied in a conventional manner, no matter how bizarre some of the conventions may be”.

Het sex/gender systeem plaatst vrouwen en mannen in elkaar uitsluitende categorieën:

“The division of labor by sex can therefore be seen as a ‘taboo’: (…) a taboo dividing the sexes into two mutually exclusive categories, a taboo which exacerbates the biological differences between the sexes and thereby creates gender”. (Rubin 1975:178)

Het sex/gendersysteem, met zijn nadruk op het verschil tussen mannen en vrouwen is onderdrukkend:

“Far from being an expression of natural differences, exclusive gender identity is the suppression of natural similarities. It requires repression: in men, of whatever is the local version of ‘feminine’ traits; in women, of the local definition of ‘masculine’ traits. (…) The same social system which oppresses women in its relations of exchange, oppresses everyone in its insistence upon a rigid division of personality”. (Rubin 1975: 180)

Het sex/gender systeem wortelt altijd in een sociaal en politiek systeem. Dat heeft consequenties voor de vrouwenbevrijdingsstrijd: “We should not aim for the elimination of men, but for the elimination of the social system which creates sexism and gender”. (Rubin 1975: 204). Met het sex/gender systeem van Gayle Rubin is de feministische theorievorming een belangrijk concept rijker, dat een ware triomftocht doorheen Vrouwenstudies/Genderstudies, heeft gemaakt. Dat ik bijna 30 jaar later toch op Rubin terugval, heeft niets met nostalgie te maken, maar wel met het feit dat ik mij nog steeds herken in de feministische stroming, die vrouwenbevrijding plaatst in een context van sociale en maatschappelijke strijd voor verandering, hoe minoritair die stroming vandaag ook mag zijn. Rubin’s begrippenkader plaats ik tegenover dat van het gelijke kansenbeleid in Vlaanderen.

Gender en gelijke kansen in Vlaanderen

copy_of_istock_000014218787small_gender_400x306enHet rapport van de Raad van Europa “Gendermainstreaming: een geïntegreerde aanpak van gelijkheid tussen mannen en vrouwen”, opgesteld door de Expertgroep Mainstreaming (2001) is het standaard werk en referentiepunt voor het gelijke kansenbeleid in Vlaanderen. “Gender staat voor cultuurgebonden definities van vrouw-zijn en man-zijn” en “deze definities variëren in de tijd en in de ruimte”, aldus de Expertgroep Mainstreaming (2001: 9). Dat sluit aan bij het genderconcept van Rubin (1975). Wat er verder mee gedaan wordt is iets heel anders, zoals blijkt uit het begrippenkader, uiteengezet in deel 1 van het verslag van de Expertgroep Mainstreaming (2001: 9-22). Immers de bestaande genderrelaties en de gangbare ideëen daarover worden niet in vraag gesteld, maar in wezen aanvaard. Al staat dit de formulering van een gelijkheidsstrategie niet in de weg.

Die strategie is wel zeer specifiek: het gaat over “gendermainstreaming”, namelijk de integratie van een genderperspectief in het reguliere of bestaande beleid. Maar zelfs een zo afgelijnde doelstelling, die op zich zeker ook een discussie waard is, heeft een begrippenkader nodig. En dan is het verwonderlijk hoe gemakkelijk rond een gelijklopende definitie van gender, tegengestelde begrippenkaders kunnen opgebouwd worden. Ik baseer me op het hoofdstuk “Wat is ‘gender equality’ (gelijkheid tussen mannen en vrouwen)” (Expertgroep Mainstreaming 2001: 9 – 11), dat gewijd is aan de toelichting van gender en gendergelijkheid.

Ligt het aan de onzorgvuldige formulering? Feit is dat het onderscheid tussen sekse (natuur) en gender (cultuur), toch de kern van de zaak, vervaagt: “Essentieel (…) is het inzicht dat de levensvoorwaarden van vrouwen en mannen sterk verschillen, ondermeer door de rol die vrouwen spelen in de voortplanting.” (Expertgroep Mainstreaming 2001: 9) Hier wordt gezegd dat voortplanting, hét biologisch gegeven bij uitstek, de sociale verschillen tussen vrouwen en mannen bepaalt, met dat pittige detail, dat dit enkel zo is voor vrouwen (wat we bij het woordje “ondermeer” moeten denken is niet duidelijk).

Nu is dit precies het probleem: de opvatting dat vrouwen in de eerste plaats moeder zijn en alles daaraan ondergeschikt (moeten) maken, is een krachtige rechtvaardiging van hun maatschappelijke positie, die zo als verschillend kan worden voorgesteld maar niet ongelijk. Een genderinvalshoek zou precies dit moeten demystifiëren. Voortplanting op zich is biologisch/natuurlijk, maar de voortplantingsregels, en dus ook de positie van vrouwen, zijn een sociaal/maatschappelijk gegeven, getuige daarvan de variatie aan systemen in wereld.ii Toch ziet de Expertgroep Mainstreaming (2001) het als iets waar men niet omheen kan, want de enige voorgestelde strategie is een morele en voluntaristische inspanning om ervoor te zorgen dat de discriminaties, die daaruit voortvloeien, ongedaan gemaakt worden: “ Die verschillen mogen de kansen van vrouwen niet negatief beïnvloeden. Ze mogen met andere woorden niet tot discriminatie leiden.” (Expertgroep Mainstreaming 2001: 9)

Dat begripsvervaging tussen sekse en gender uiteindelijk niet te wijten is aan onzorgvuldig taalgebruik, blijkt uit de verdere logika van de tekst. In het verlengde van een biologisch, dus natuurlijk verankerd verschil tussen de geslachten, worden mannen en vrouwen herleid tot aparte categorieën (mannen komen van Mars, vrouwen van Venus?), elk met hun eigen maatschappelijke rol. Binnen deze gegeven tweedeling, is het kernprobleem de hegemonie/hiërarchie van de ene groep over de andere. Toegegeven, hier heeft de tekst het de ene keer over een privilegiëring van (concrete) mannen, de andere keer over de hegemonie van een ‘mannelijke’ levenswijze, in de betekenis van wat als ‘mannelijk’ beschouwd wordt in de samenleving. Maar beide worden door elkaar gebruikt en het beeld van twee maatschappelijke groepen overheerst.

Ook in de voorgestelde strategie, namelijk een voluntaristisch zoeken naar een beter evenwicht tussen beide groepen: “Gelijkheid veronderstelt tevens de aanvaarding en erkenning van de verschillen tussen vrouwen en mannen en hun verschillende maatschappelijke rollen (…) Het (streven naar gelijkheid) houdt ook het zoeken in naar een beter evenwicht tussen vrouwelijke en mannelijke prioriteiten. Met het oog hierop moet de hegemonie van ‘mannelijke’ levenswijzen, ideologieën en belangen en de wijze waarop maatschappelijke structuren de bijhorende normen weerspiegelen ter discussie worden gesteld. (…) De sociale definitie van de geslachten moet dus ruimte laten voor verschillen, zonder dat ze een hiërarchie instandhoudt die mannen privilegieert. Dit veronderstelt het uitwerken van een partnerschap tussen mannen en vrouwen en het delen van verantwoordelijkheden. Alleen zo kan het evenwicht in de verhoudingen tussen de beide geslachten worden hersteld” (Expertgroep Mainstreaming 2001: 10).

Met wat goede wil zou men kunnen aannemen dat de Expertgroep Mainstreaming (2001) het niet zozeer heeft over mannen en vrouwen maar wel over mannelijk en vrouwelijk. Elders in de tekst, in het hoofdstuk over de problemen met betrekking tot gelijkheid van de geslachten in Europa, stelt hij dat “het bewustzijn groeit dat vrouwen een bijzonder heterogene groep vormen” (Expertgroep Mainstreaming 2001: 12) en, in het hoofdstuk over het belang van de geïntegreerde aanpak, “dat vrouwen en mannen geen homogene groepen vormen” (Expertgroep Mainstreaming 2001: 22). Maar hij vervalt telkens weer in een logika van aparte én homogene mannen- en vrouwengroepen, zoals blijkt uit het pleidooi voor de gelijke deelname van vrouwen en mannen aan het politieke en openbare leven: “Het is erg belangrijk voor de samenleving dat mannen en vrouwen, elk vanuit hun eigen levenservaring, participeren aan het beslissingsproces”. (Expertgroep Mainstreaming 2001: 11).

Wat stout samengevat komt het erop neer dat de Expertgroep Mainstreaming (2000) ervan uitgaat dat mannen en vrouwen fundamenteel verschillen, maar dat dit niet mag verhinderen dat beide aan hun trekken komen. Op het eerste gezicht lijkt dit te verklaren door de doelstellingen van de mainstreamingstrategie, een deelstrategie binnen het gelijke kansen beleidiii en die de Expertgroep Mainstreaming (2001: 18) als volgt omschrijft:

“Gender mainstreaming gaat voor de uitbouw van een beleid niet uit van bestaande ongelijkheden. Hierdoor onderscheidt het zich van het specifieke gelijkheidsbeleid, dat wél uitgaat van bestaande en vastgestelde ongelijkheden. Gender mainstreaming houdt meestal rekening met de specifieke behoeften van mannen en vrouwen.”

Als deelstrategie is dit laatste ongetwijfeld valabel, tenminste als al die aandacht voor beide geslachten niet ten koste is van die voor vrouwen, nog altijd in de zwakste positie. Dat is hier niet het punt van discussie. Ter discussie is de relatie tussen zo’n deelstrategie, die per definitie beperkt is, en een algemeen theoretisch kader, dat per definitie uitspraken doet over hoe de maatschappij in elkaar zit. Om iets te doen aan het onderdrukkend gedrag van mannen op de werkvloer of in vergaderingen, is geen genderanalyse van de maatschappij nodig. Die is wel nodig om er inzicht in te krijgen.

Dit maar om te zeggen dat het theoretisch begrippenkader van de Expertgroep Mainstreaming niet neutraal. Overigens is mainstreaming bedoeld als een lange termijn strategie, met de ambitieuze doelstelling het bestaande mannelijke systeem in vraag te stellen. (Nelen 2000: 1) Het begrippenkader daarachter moet dus navenant zijn.

Gender mainstreaming: de praktijk en de theorie

Gender-Equality-feminism-19444868-280-366Het beleid van ministeries, instellingen, bedrijven, organisaties, enz. rekening doen houden met de specifieke behoeften van mannen en vrouwen, dat wil gendermainstreaming dus bereiken. De genderinvalshoek, gesymboliseerd door het begrip “genderbril”, waarvan ooit een kartonnen versie uitgedeeld is als sensibilisatieactie, maakt ons gevoelig voor die specifieke behoeften, helpt om ze te herkennen en te erkennen. Daarvoor zijn allerlei nuttige instrumenten en technieken ontworpen. Een eerste vraag is echter: waar willen we achter komen en hoe helpt het theoretisch begrippenkader ons daarbij? Een tweede: hoe wordt er mee omgegaan?

De genderbril maakt gevoelig voor de verschillen tussen mannen en vrouwen. Goed. Maar het is niet neutraal of men deze verschillen al dan niet ook in vraag stelt. De genderbril stelt het feit in vraag dat de maatschappij van mannen en vrouwen eist dat ze zich gedragen volgens de heersende normen van mannelijkheid en vrouwelijkheid. Maar het is niet neutraal of men het bestaan van die normen al dan niet ook problematiseert. Het klopt dat ze evolueren in de tijd, door de actie van mensen zelf. De resultaten van de vrouwenstrijd zijn daar het beste bewijs van. Eigenlijk is dat al een argument om ze systematisch in vraag te stellen. Tenslotte is het ook niet neutraal of men al dan niet het systematisch toekennen van een mannelijke of vrouwelijke gender aan kwaliteiten, eigenschappen enz. in vraag stelt. Het is immers rond die fundamentele vragen dat het bij gender gaat! Wat als mannelijk en vrouwelijk wordt bestempelt is ten eerste altijd verankerd in het biologische verschil. Sociaal antropologe Héritier (1996: 21 – 22) stelt

“que les catégories de genre, les representations de la personne sexuée, la répartition des tâches telles que nous les connaissons dans les sociétés occidentales ne sont pas des phénomènes à valeur universelle générés par une nature biologique commune, mais bien des constructions culturelles. Avec un même «alphabet » symbolique universel, ancré dans cette nature biologique commune, chaque société élabore des « phrases » culturelles singulières et qui lui sont propres.”

Die voor de eigen maatschappij grondig ter discussie stellen –geen kleine opdracht- is toch nodig om échte veranderingen te bewerkstelligen. Ten tweede wordt wat als mannelijk bestempeld wordt altijd hoger ingeschat dan wat als vrouwelijk wordt bestempeld. Héritier (1996: 24) noemt dat de

valence différentielle des sexes, qui est aussi un artefact et non un fait de nature. Cette valence différentielle exprime un rapport conceptuel orienté, sinon toujours hiérarchique, entre le masculin et le féminin, traduisible en termes de poids, de temporalité (antérieur/postérieur), de valeur.

Maar het enige wat de genderbril in mainstreaming in vraag stelt is het feit dat mannen en vrouwen respectievelijk de vrouwelijke en mannelijke eigenschappen, die ze allebei in zich hebben, moeten onderdrukken. Impuls (2002: 4), trainingscentrum gespecialiseerd is in gender-aangelegenheden, dat onder meer heel wat opdrachten uitvoert voor de Vlaamse overheid, verwoordt het als volgt: “Gender is dus een genuanceerd begrip dat tegelijkertijd gaat over de verschillen tussen vrouwen en mannen, én over mannelijke en vrouwelijke kwaliteiten binnen elk individu op zich, of dat nu een man of een vrouw is”.

De genderbril focust voornamelijk op het individu en relaties tussen individuen. Zo wijst Impuls (2002: 11) erop dat een genderbril nuttig is omdat “organisaties en mensen die er werken zich (meestal) niet bewust zijn van hoe ‘gender’ meespeelt bij werving, teambuilding, conflicthantering, evaluatie en promotie. De bestaande verhoudingen tussen mannen en vrouwen worden nog te vaak ervaren als een vanzelfsprekendheid.” Een geliefkoosd thema is ook de verschillende stijl van leiding geven of van vergaderen of van omgaan met collega’s of nog een kleurrijk werknemerspalet. Het summum wordt bereikt als men gaat inzien dat al die verschillen een rijkdom zijn voor het bedrijf. Wat Impuls (2002: 7 – 8) hierover schrijft is representatief :

“De modale, (ideale) medewerker is in de hoofden van velen nog steeds een blanke man van middelbare leeftijd die voltijds werkt, getrouwd en hoofdkostwinner is. Werknemers –zowel mannen als vrouwen- die niet beantwoorden aan deze heersende cultuur, voelen zich niet altijd thuis in de organisatie, krijgen niet altijd dezelfde kansen, hebben af te rekenen met stereotypen of plagerijen, kunnen niet al hun talenten optimaal inzetten of staan onder druk om hun eigenheid op te geven.(…) Anno 2002 is dé uitdaging voor organisaties en instellingen om ‘verschillen’ tussen vrouwen en mannen, maar ook tussen mensen van dezelfde sekse te erkennen als een rijkdom, en ze te hanteren als een hefboom naar een effectiever en kwaliteitsvoller beleid. Ook andere doelgroepen zoals allochtonen, holebi’s, gehandicapten, senioren… krijgen meer aandacht in dit diversiteitsbeleid.”

Zo loopt het gendermainstreamingsdiscours over in het diversiteitsdiscours, dat de geïndividualiseerde aanpak bij uitstek voorstaat. Ook in de ogen van de Expertgroep Mainstreaming (2000: 22):

“In die zin gaat gender mainstreaming een stap verder dan het louter streven naar seksegelijkheid. Het laat ruimte voor een niet-hiërarchische diversiteit. Het houdt rekening met het feit dat mensen een eigen identiteit hebben. Dit neveneffect van mainstreaming als strategie om de seksegelijkheid te bevorderen is gunstig voor de hele maatschappij.”

Wat hier niet mee in rekening wordt genomen is, om het eventjes enkel bij vrouwen te houden – een analoge redenering gaat ook op voor andere groepen- is de feitelijke groepsgebonden discriminatie en de klassepositie. Symbolisch hiervoor is het feit dat de Expertgroep Mainstreaming (2000: 22) groepsgebonden discriminatie en de klassepositie ten eerste inkleurt als een van de vele verschillen en ten tweede verwijst naar een voetnoot: “Vrouwen en mannen verschillen in diverse opzichten van elkaar: sociale klasse, ras, etnische oorsprong, religieuze overtuiging, politieke opinie, leeftijd en seksuele geaardheid.”

Men mag dan al stellen dat antidiscriminatie niet het voorwerp is van gendermainstreaming maar wel van andere complementaire deelstrategieën als positieve actie (Nelen 2000: 4), het absolute hoofdaccent van het gelijke kansen beleid ligt zonder énige twijfel op het mainstreamings- en diversiteitsdiscours, waarvan het ultieme doel is het is het individu zijn recht op gelijke kansen waar te laten maken, in harmonie met zijn individuele capaciteiten. Dat is leuk voor wie daar in slaagt. Jammer voor al die anderen die er om zovele structurele redenen niet in slagen. Ach, “mainstreaming is een complexe strategie en vergt een lange termijnaanpak die fundamentele veranderingen inhoudt, die niet zomaar ineens verwezenlijkt kunnen worden” waarschuwt Nelen (2000: 1). Nu is de complexiteit van een strategie geen reden om ze te verwerpen. Maar zo complex is die strategie niet bepaald: de genderbril interpreteert alles in termen van verschil.

Het begrippenkader van de Expertgroep Mainstreaming (2001) rond gender en gendermainstreaming verenigt twee op het eerste gezicht tegengestelde verhalen van verschil, het ene groepsgebonden (mannen en vrouwen), het andere individugebonden (elke mens is verschillend). Toch is het coherent. De ideologische categorisering van mannen en vrouwen als fundamenteel verschillend verhult de reële maatschappelijke ongelijkheden. Evenzo verhult de geïndividualiseerde strategie van erkenning van de eigen specifieke identiteit van personen de reële groepsgebonden discriminaties. Samen hebben deze twee verhalen alles in zich van een systeembevestigend discours, dat de maatschappelijke structuren met hun ingebakken ongelijkheid niet in vraag stelt.

Conclusie

Het begrippenkader van de Expertgroep Mainstreaming (2001) heeft het begrip gender ontdaan van zijn essentie, waarvoor het in oorsprong geconcipieerd werd: een analytisch concept dat ons inzicht geeft in de relatie tusssen diepgewortelde ongelijkheden in de maatschappij en vrouwenonderdrukking.

Gendermainstreaming houdt zich bewust afzijdig van de kwestie van ongelijkheid en verhult ze zelfs onder een verschilverhaal. Verschil en gelijkheid sluiten elkaar niet uit, ongelijkheid en gelijkheid wel. Zo is het mogelijk dat een genderanalyse zoals Gender in Balans tot de conclusie komt dat een van de actiepunten het promoten van deeltijd werk is. Op één niveau kan dat beantwoorden aan een vraag van het personeel en zal het tegemoet komen aan de wensen van sommige individuen en voor hen zelfs misschien een emancipatorisch effect hebben. En het raakt ook aan gender, vermits deeltijds werk zeer ongelijk verdeeld is over de geslachten.

Als algemene beleidsmaatregel zal het echter de structurele ongelijkheid versterken, want precies door hun gegenderde maatschappelijke situatie zullen veel meer vrouwen in die deeltijdse banen terechtkomen, alle projecten om deeltijds werk voor mannen te bevorderen ten spijt. En een roldoorbrekend effect zal deeltijd ook niet meteen hebben. Het werkt zelfs de gelijke verdeling van de huishoudelijke taken tussen partners tegen.

Dit alles is des te relevanter, omdat er alternatieve maatschappelijke keuzes mogelijk zijn voor deeltijds werk, namelijk arbeidsduurverkorting voor iedereen. Maar in de gendermainstreaming is dat, hoewel het perfect mogelijk zou zijn, niet eens als discussiepunt aan de orde, omdat het politiek niet aan de orde is. Een mens zou zich afvragen waarom men zich de moeite heeft getroost het woord “gender” binnen te halen.

 Bronnen

  • De Beauvoir, S., 1949. Le Deuxième Sexe.
  • Expertgroep Mainstreaming, 2001. Gender mainstreaming. Een geïntegreerde aanpak van de gelijkheid tussen vrouwen en mannen. Definitie, methodologie en stand van zaken in Vlaanderen. Eindrapport van de Expertgroep Mainstreaming, Straatsburg mei 1998. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.
  • Glover, D. en Kaplan, C., 2000. Genders. London en New York: Routledge.
  • Héritier, F., 1996. Masculin / Féminin. La Pensée de la Différence. Paris : Editions Odile Jacob.
  • Impuls, 2002. Gender. Impuls-magazine. 5/maart-april-mei 2002: themanummer.
  • Nelen, S., 2000. Gender mainstreaming : de aard van het beestje. Paper voor het Seminarie mainstreaming 28 november 2000.
  • Rubin, G., 1975. The Traffic in Women: Notes on the “Political Economy” of Sex. R.R. Reiter (ed.) Toward an Anthropology of Women. New York and London: Monthly Review Press. 157-210.
  • Schwartzer, A., 1975. Der “kleine Unterschied” und seine grossen Folgen. Frankfurt/Main: Fischer Verlag