Ida Dequeecker

Dat twee grote feministische golven heel wat bereikt hebben is een open deur intrappen. Uitdagender is de vaststelling dat het emancipatieproces van vrouwen niet alleen heel ongelijk verloopt, maar ook dat ongelijkheid blijft bestaan, vaak in gewijzigde of nieuwe vorm. Een opvatting die bovendien meer en meer veld wint, ook bij de beleidsmakers, is dat westerse vrouwen het min of hebben gemaakt en een voorbeeld zijn voor hun onfortuinlijke zusters – al zal men dat woord zusters ook wel niet gebruiken – uit andere culturen.

Zo creëert men een beeld van dé westerse vrouw, een mythisch wezen, dat “ge-empowerd” is om de laatste obstakels, de laatste ongelijkheden op basis van gender zelfstandig op te ruimen. Zij heeft haar emancipatie zelf in handen. Wat moeten wij met dat lichtend voorbeeld? Laten we de feministisch socialistische visie maar eens terug opdiepen.

Feminisme en kapitalisme

Het beeld van de vrije westerse vrouw is aantrekkelijk. Mensen aanspreken op hun zelf verworven superioriteit, hoe vies dit ook is, doet het altijd. Maar waarom is het ook GELOOFWAARDIG? Politici, mediafiguren, opiniemakers… ze menen het écht als ze beweren dat gender er niet meer toe doet, dat “we” er bijna zijn! 1

De reden is dat in onze samenleving een hele categorie vrouwen het effectief aan het maken is, enerzijds dankzij de feministische strijd, anderzijds dankzij de toegenomen welstand, waarvan zij genieten. Zij hebben gestudeerd, ze hebben een fijn beroep, ze verdienen goed, ze betalen een huishoudhulp, ze combineren quasi moeiteloos een (groot) gezin met hun professioneel bestaan. Hun partner, die ze meestal wel hebben, doet mee een duit in het zakje. Ze worden ons niet eens subtiel voorgehouden als rolmodel2, terwijl alle mogelijke andere rolmodellen uit het beeld verdwijnen.3

De onzichtbare werkelijkheid achter dit rolmodel maakt ons een aantal dingen duidelijk:

  1. het kapitalisme brengt zoveel welstand voort voor een klasse mensen, dat voor hen de gelijkheid tussen mannen en vrouwen binnen hun bereik ligt en dat ze, als ze dat willen, leuk de taken kunnen verdelen met een drankje in de hand en aan de salontafel (en niet aan de keukentafel, die is voor de huishoudhulp).
  2. Maar binnen het kapitalisme, dat draait in functie van winstbejag en dus op basis van uitbuiting van de arbeid van mensen, is die graad van vrouwenemancipatie alleen weggelegd voor de “happy few”, zeker als we het op wereldschaal bekijken. Die happy few eigenen zich veel veel meer toe dan de noodzakelijke materiële basis voor hun emancipatie.
  3. Ongetwijfeld heeft de vaak lange en harde autonome feministische strijd hiervoor de baan geruimd. Niets hebben vrouwen zomaar in de schoot geworpen gekregen, maar het kapitalistisch systeem is wel soepel in staat gebleken een hele reeks feministische eisen te integreren, al duurde het wel lang: toegankelijkheid van alle studierichtingen en beroepen voor vrouwen, stemrecht voor vrouwen, een modern huwelijksgoederenrecht, versoepeling van echtscheiding, een alimentatiefons, legalisering en zelfs depenalisering van abortus, erkenning van verkrachting, huiselijke geweld en incest als maatschappelijk problemen (al laat de strijd ertegen te wensen over), erkenning van diverse samenlevingsvormen naast het traditionele huwelijk, verruiming van de afstammings- en naamgevingsregels, gelijk loon voor gelijk werk (althans wettelijk), kinderopvangvoorzieningen, enz.. De lijst is indrukwekkend.
  4. Maar er is een de grens aan de effectieve gelijkheid van vrouwen en mannen: de sociale en klassenongelijkheid. Emancipatie binnen het kapitalisme zal altijd ongelijk zijn en groepen zijn geprivilegieerd op basis van klasse. Het systeem laat vrouwen structureel hoogstens de gelijke worden van hun mannelijke klassengenoten. Hen wordt dan voorgehouden dat hun vrije individuele keuze gewaarborgd is en dat ze hun lot voortaan helemaal zelf in handen hebben. En vermits vrouwen nog nooit zoveel vrijheid kenden en er individuele vrouwen zijn die het maken… Zo zijn terug bij punt 1.

Het Vlaams femsoc manifest van 1980 formuleerde het als volgt:

“We geloven dat de onderdrukking van de vrouwen nooit zal opgeheven worden in de huidige maatschappij. Wij zegden het al: onze samenleving is rijk genoeg om ons eisenprogramma te verwezenlijken. Maar zolang de maatschappelijke rijkdom afgeschuimd wordt voor de winsten van de burgerij kan dit niet gebeuren” p. 514

Bevrijding van alle vrouwen

Een feminisme dat de wereld interpreteert in functie van een tegenstelling tussen mannen en vrouwen of een feminisme dat zich enkel toelegt op de verschijningsvormen van vrouwenonderdrukking gaat voorbij aan deze fundamentele sociaal-economische klassentegenstelling. Vandaag bepaalt die aanpak de hoofdstroom in het middenveld en het beleid.

Een feminisme dat de bevrijding5 van alle vrouwen als doel stelt moet het dubbele aspect van vrouwenonderdrukking in rekening nemen: het seks/gender systeem6, zoals het verbonden is met de vele structurele ongelijkheden in de samenleving én het uitbuitings- en winstsysteem op basis van structurele klassenongelijkheid dat al die diverse vormen van ongelijkheid integreert, voortbrengt, verandert maar altijd bestendigt.

Femsoc’sters proberen altijd ook verder te zien dan de onmiddellijke feministische eisen. Het femsoc manifest stelt het als volgt:

“Wij nemen vandaag de strijd voor onze eisen op, maar we zijn er ons van bewust dat de voorwaarden om ze werkelijk totaal te verwezenlijken de omverwerping van het huidige kapitalistisch systeem is en de instelling van een maatschappij op socialistische basis” p. 52

Doordat de vrouw als hoofdbestemming het privéleven heeft

“Met elk loon dat een baas aan zijn werkers betaalt verzekert hij zich van een gratis werkster, die zijn huidige en toekomstige werkers verzorgt en opkweekt” stelt het femsoc manifest (p. 21). En “hoewel er in het gezin belangrijke maatschappelijke taken vervuld worden, gebeurt dit op een individuele, private manier. Doordat de vrouw als hoofdbestemming het priveeleven organiseert, is zij geen volwaardig maatschappelijk wezen meer. In de wereld van de arbeid, in de wereld van de politiek, in de wereld van de sociale strijd…. Overal worden vrouwen gediskrimineerd, komen ze op de tweede plaats, hebben ze veel minder kansen, betrouwt men hun kapaciteiten niet…” p. 31

Met andere woorden de kapitalistische arbeidsdeling tussen mensen die hun arbeidskracht verkopen en mensen die de productiemiddelen in handen hebben integreert ook een historische en aangepaste arbeidsdeling volgens het geslacht, dieeen s pecifieke reducerende socialisering vergt van vrouwen tot zorgende moeder en mannen tot kostwinners. 7

“Men zegt ons dan: het altijd zo geweest is. Het gezin is “natuurlijk” en de natuurlijke taak van de vrouw is het moederschap. Al de rest komt op de tweede plaats.” p. 15.

Dat slaat op wat we vandaag analyseren als het seks/gendersysteem8. Dat dit vandaag nog altijd de werkverdeling in onze samenleving tekent is overduidelijk. Mensen leven niet noodzakelijk meer in een door een huwelijk bezegeld gezin, ze scheiden meer, maar de partnerrelatie blijft toch het overheersende model met daarbinnen vaak een ongelijke werkverdeling. Deeltijd werk blijft vooral vrouwenwerk, de combinatie gezin/werk ook. Ideologisch wordt dit ondersteund met alle gangbare ideeën over vrouwelijkheid en mannelijkheid, die mannen en vrouwen vreemden maakt voor elkaar, marsmannetjes en venusvrouwtjes.9

De femsoc beweging eiste dan ook zowel maatregelen voor een volledige economische zelfstandigheid van vrouwen en maatregelen om de gemeenschap te herorganiseren om de huishoudelijke taken op te heffen. Daarbij stelt het manifest expliciet:

“Maar zolang de maatschappelijke rijkdom afgeschuimd wordt voor de winsten van de burgerij kan dit (de volledige verwezenlijking van het eisenprogramma) niet gebeuren”. p. 51

Vrouw, man, mens

Het ganse femsoc manifest van 198O is doordrongen van twee centrale ideeën. Ten eerste de positie van vrouwen in de samenleving is niet statisch, maar hoe ze ook evolueert en verandert, enerzijds door objectieve ontwikkelingen zoals de toegang tot betaald werk en dus economische zelfstandigheid anderzijds door de acties van de vrouwenbeweging, de structurele beperkingen blijven bestaan:

“De ontwikkelingen van het kapitalisme zelf laten zien dat het anders zou kunnen, maar dat de manier waarop de maatschappij is georganiseerd houdt die mogelijke ontwikkelingen tegen” p. 29

Ten tweede binnen het kapitalisme kunnen vrouwen, noch mannen écht volwaardig en autonoom mens zijn.

“Maar zolang niet elke mens, man of vrouw, zelfstandig is, blijft er een stevige basis om de onderdrukkende gezinsstruktuur in stand te houden, al was het maar omdat miljoenen vrouwen geen mogelijkheid krijgen te werken en zelfstandig te zijn, zodat voor hen alleen een huwelijk toekomst biedt”.10

De gegenderde werkverdeling zet zelfs man en vrouw binnen het gezin tegen elkaar op.

“Zo kan de gezinsstructuur de solidariteit bemoeilijken. Vrouwen die het gezinsbelang stellen boven de gezamenlijke actie en een staking van hun man bemoeilijken. En omgekeerd mannen die niet willen dat hun vrouwen deelnemen aan de sociale strijd” p. 27.

Daaruit vloeit logisch de verwerping voort van individuele oplossingen, zoals een huishoudloon die de gegenderde werkverdeling in stand houden en een optie voor structurele maatregelen.

“In plaats van een huishoudloon te vragen, willen we juist de dammen doorbreken die verhinderen dat we de maatschappelijke rijkdom aanwenden om de vrouw en de mens in het algemeen te bevrijden” p. 31.

Tot slot is er de idee dat vrouwenbevrijding samen gaat met de bevrijding van alle mensen met een pleidooi voor

“een maatschappij waar de produktie in dienst staat van de welvaart en het welzijn van alle mensen. Dat betekent dat de produktiemiddelen in gemeenschappelijk beheer moeten komen, onder controle van de werkende mensen zelf. Dat betekent een maatschappij waar iedereen volwaardig deelneemt aan de produktie en de reproduktie en waar de technische mogelijkheden aangewend worden om het noodzakelijke menselijk werk zoveel mogelijk te beperken zodat tijd vrijkomt voor andere sociale, kreatieve bezigheden. Dat betekent een maatschappij waarin iedereen mee beslist over produktie, verdeling, de organisatie van het dagelijks leven. Dat betekent tenslotte een maatschappij waar elk individu bestaanszekerheid heeft en bijgevolg vrij is om haar of zijn leven te organiseren in een gezin, een kommune of noem maar op, zonder angst om de bestaanszekerheid te verliezen of om gestraft te worden” p. 53

Van femsocdenken naar kruispuntdenken

Het specifieke statuut van “het vrouw zijn” in onze samenleving was de basis voor het ontstaan van een vrouwenbeweging. Vrouwen gingen de strijd aan tegen hun discriminatie en achterstelling. Vrouwen deelden een identiteit als onderdrukte groep. Ze exploreerden hun situatie en kwamen tot de conclusie dat hun persoonlijke ervaringen zo veel gelijkenissen vertoonden dat een maatschappelijk patroon duidelijk werd. Vrouwen waren niet zomaar willekeurig achtergesteld op vele vlakken, ze waren dat met heel hun bestaan en heel hun wezen. Hun maatschappelijke voorbestemdheid was van een ontstellende eenvormigheid. Dat wordt uitgedrukt in de slogan “het persoonlijke is politiek”. Het gaf de beweging een enorm elan. Vooral de gezamenlijke acties ronde vele gedeelde thema’s versterkten het gevoel van een gedeelde identiteit als vrouw.

Toch legden groepen als Dolle Mina en de FemSoc beweging van in het begin de vinger op de grenzen van die gedeelde identiteit. Vrouwen hebben gemeenschappelijke maar ook tegengestelde belangen. Die vallen samen met hun klassenpositie. Vrouwen uit de burgerij genieten heel wat privileges waarvan vrouwen uit de arbeidersklasse uitgesloten zijn en op het eind van de rit kiezen ze voor die belangen, tenzij ze een bewuste keuze maken tegen hun (klassen)belang in en voor solidariteit. Dat is niet alleen een morele kwestie of een kwestie van maatschappelijke positie en bewustzijn maar ook een van maatschappelijke analyse en politieke keuzes.

In de jaren 70 werd hierover heftig gedebatteerd in de vrouwenbeweging. Je zou kunnen stellen dat een marxistisch feminisme stond tegenover een radicaal feminisme. Het eerste situeerde de onderdrukking van vrouwen in de structuur van de kapitalistische maatschappij, het tweede in een fundamentele tegenstelling tussen vrouwen en mannen. In die super activistische dagen vonden beide stromingen zich in grote langdurige strijdpunten zoals 2O jaar strijd voor abortus uit het strafrecht. Op andere punten was de eensgezindheid wel zoek.

Twee voorbeelden: abortus en nachtarbeid

De femsoc beweging was een van de trekkers van de strijd voor abortus uit het strafrecht. Van in het begin waren we er ons bewust van dat alleen beter gesitueerde vrouwen toegang hadden tot een medisch verantwoorde abortus in Zwitserland of Engeland. De strafbaarheid van abortus was een onrecht voor alle vrouwen maar ingrijpender en prangender voor vrouwen uit de lagere sociale klasse, die het moesten stellen met zogenaamde ‘engeltjesmaaksters’. Sociale ongelijkheid, onrecht en dubbele moraal gingen hand in hand. Maar er was meer. Een wettelijk verbod op abortus heeft alles te maken met de controle over de vruchtbaarheid en de seksualiteit van vrouwen, die moeders van het vaderland, die de arbeidskrachten en het kanonnenvlees van morgen voortbrengen.

Twee slogans staan centraal in de femsoc en de radicaal feministische aanpak: abortus, de vrouw beslist en abortus uit het strafrecht.11 De argumenten die daar tegen in aangevoerd zijn door politici, opiniemakers en ook sommige (liberale) feministen gaan van “de toekomstige vader heeft ook een zeg” (ja als de vrouw dat wil) tot “vrouwen gaan er maar op los vrijen” (en dan???), “vrouwen gaan abortus als gewoon voorbehoedmiddel aanwenden” (alsof ze het voor hun plezier doen!) of nog “men gaat vrouwen dwingen tot abortus” (Mogelijk! Bestraf dan dwanguitoefening!)

Onder invloed van 20 jaar strijd kreeg België een zeer liberale (in de betekenis van vrije) abortuswetgeving12, al gaat die niet zover als de femsoc en anderen het wilden. De strijd is dus niet af, maar er is een belangrijke stap vooruit gezet met meer vrijheid en gelijkheid voor alle vrouwen. De sociale dimensie was zeker aanwezig in de abortusstrijd13, maar stond een brede eensgezindheid niet in de weg. Daar waren ethisch godsdienstige motieven eerder de hinderpaal.

Nachtarbeid is een ander verhaal. Brengt het openstellen van nachtarbeid voor vrouwen meer gelijkheid? Oppervlakkig gezien wel. Maar als je even doordenkt helemaal niet. Wat heb je aan een gelijk recht op nachtarbeid, op lastige werkomstandigheden, op meer flexibiliteit wat men ook mag vertellen over de combinatie werk/gezin. Het femsoc standpunt was dat een beperking van nachtarbeid voor iedereen ook gelijkheid betekende. Op dit punt was er veel minder feministische eensgezindheid. Immers gelijkheid kon bekeken worden vanuit een eng abstract man-vrouw standpunt of vanuit een breder sociaal perspectief, dat wortelt in de realiteit van de kapitalistische arbeidsverhoudingen en de repercussies daarvan op de levens van mensen. Individueel konden bepaalde vrouwen hun voordeel doen met een toegang tot nachtarbeid, omdat ze zo misschien op een loonniveau van mannen kwamen, structureel en voor de vrouwen als groep betekende het een achteruitgang.

Crisis van het strijdend feminisme

Het is pas vandaag, jaren nadat het elan van de tweede feministische golf doodbloedde in de loop van de eerste helft van de jaren 80, dat het belang van de oer-discussie tussen marxistische en radicale feministische stromingen terug duidelijk wordt.14 Dit maal in relatie tot de integreerbaarheid van feministische concepten in het beleid.

De FemSoc activisten wisten in het begin jaren 80 nog een laatste strijdgolf te weeg te brengen tegen de crisis. Eind jaren 70 voelden ze nattigheid en organiseerden ze een Linkse Vrouwen Conferentie, die een onverhoopt succes werd. Daar werd besloten om een vrouwenfront tegen de crisis op te richten samen met vrouwen uit de arbeidersbeweging. Ook dat initiatief werd een onverhoopt succes. Vrouwen Tegen de Krisis (VTK) bracht duizenden vrouwen op straat. Maar uiteindelijk liep de actie vast op de neoliberale soberheidspolitiek, die in België was ingezet met de devaluatie van de frank in 1981. De FemSoc beweging bloedde tegen het einde van de jaren 80 dood. Misschien is 1990, het jaar waarin de abortuswet tot stand kwam, een symbooljaar voor de crisis van het strijdend feminisme.

Anderzijds overleefde het feminisme in vrouwenhuizen en kleinere actiegroepen, in geïnstitutionaliseerde vorm (met subsidies voor feministische organisaties, een gelijke kansen beleid, emancipatieambtenaren, enz.) en vrouwenstudies (onderontwikkeld in België, maar met de mogelijkheid om over de grenzen mee te kijken en te doen). Dat bood ook professionele uitwegen voor heel wat feministen, vaak mits een heroriëntering van hun feministisch denken. De gekrompen feministische beweging kreeg een adviserende functie als onderdeel van het middenveld, maar het beleid bepaalde de agenda.

Kruispuntdenken, klasse en identiteitscategorieën

Het denken in termen van gelijke kansen tussen vrouwen en mannen kreeg de overhand en parallel daarmee (en ondanks het doordringen van het begrip gender15 ) het denken in essentiële verschillen tussen mannen en vrouwen. 16 Het femsoc denken over tegenstellingen tussen vrouwen onderling geraakte als stroming gemarginaliseerd. Het Kruispunt denken, dat in de jaren 80 overwaaide uit de Verenigde Staten, stelde het op een andere manier terug aan de orde. Waar het FemSoc denken zich toespitste op de externe én interne confrontaties van feminisme met de klassentegenstellingen, verdiept het Kruispuntdenken zich in de verwevenheid van gender, etniciteit en klasse als discriminerende identiteitscategorieën.

Het kruispuntdenken, soms ook intersectioneel of caleidoscopisch denken genaamd, bekritiseert de traditionele visie van gender en diversiteit als op zichzelf staande categorieën. Het stelt ons in staat om de bovengenoemde aspecten van identiteit en ervaringen van een individu of een groep samen te denken.”

Discriminatie, achterstelling, onderdrukking en uitsluiting op basis van identiteitscategorieën waartoe de samenleving je rekent, nemen verschillende vormen aan naargelang tijd en plaats. Hetzelfde geldt voor de privileges die je bezit op basis van de maatschappelijke hokjes waarin je wordt geplaatst. Waar de één wordt gediscrimineerd, kan de ander dus bevoordeeld en geprivilegieerd worden.”17

Interessant en verhelderend is dat het Kruispuntdenken niet alleen wijst op de bestaande ongelijke identiteitscategorieën maar ook op van de daarmee verbonden ongelijke machtsverhoudingen tussen dominante en minderheidsgroepen. De stemmen van vrouwen uit minderheidsgroepen zijn uiteraard doorslaggevend om dat bloot te leggen, het perspectief van de vrouwenstrijd te verbreden, om de beweging te diversifiëren. Maar gaat het hier enkel om een soort éénrichtingsverkeer, zoals volgend citaat suggereert?

“De geschiedenis van het feminisme leert ons dat, hoe dominanter en homogener de levenscondities van de vrouwen die de agenda opstellen zijn, hoe meer uitsluiting er binnen de vrouwenbeweging gecreëerd wordt. Kritiek van arbeidersvrouwen, niet-witte en niet heterovrouwen op de gevestigde feministische groepen, zijn een constante doorheen de geschiedenis van de vrouwenbeweging. Omgekeerd leert die geschiedenis ons eveneens dat, hoe diverser de trajecten en de posities van de vrouwen (en mannen en transgenders) die collectief de agenda’s opstellen, hoe inclusiever en sterker een beweging kan worden” aldus Sarah Bracke en Sarah De Mul 18

Deze “historische” aanname strookt niet met de werkelijkheid. Alvast Dolle Mina en de FemSoc beweging waren zich scherp bewust van de vrij eenzijdige samenstelling van de groepen. Wat meer is ze waren desondanks enerzijds in staat tot daadwerkelijke solidariteit met de strijd van arbeidersvrouwen en anderzijds tot het formuleren van een theorie over vrouwenbevrijding als een bevrijding van alle vrouwen en dus alle mensen, de onmogelijkheid dit om binnen het kapitalisme te verwezenlijken en bijgevolg de noodzaak van een antikapitalistisch perspectief en een visie op een socialistische samenleving.

Kruispunt denken en de neo-liberale context

De marginalisering van het FemSoc denken en de opkomst van het Kruispuntdenken los daarvan vallen niet toevalllig samen met de perspectievencrisis van de sociale strijd en de opgang van het neoliberaal offensief, dat zich na de implosie van de Sovjet-Unie kon opwerpen als énig valabel alternatief, wat ook uitgedrukt werd in de one – liner van “het einde van de geschiedenis”. Het FemSocdenken deemsterde weg vooraleer het een visie op diversiteit kon integreren, het Kruispuntdenken blijft steken in identitaire diversiteitsanalyses, waarvan sociale klasse er een is als een andere.

Het Kruispuntdenken is een zeer goed instrument om mensen bewust te maken van hun positie op het kruispunt van de assen van diverse identiteitscategorieën, zoals gender, etniciteit en klasse. Dat bewustzijn is de noodzakelijke sleutel om zich solidair te verenigen als groep en in verzet gaan. Maar het Kruispuntdenken stelt de vraag niet naar de objectieve relatie tussen klasse en de andere discriminaties. Klasse is in het Kruispuntdenken een van de vele niet hiërarchische identiteitsassen, waarvan het aantal blijkbaar blijft aangroeien (om te eindigen bij de unieke positie van elk individu?). Terwijl het begrip klasse refereert naar de kapitalistische productieverhoudingen tussen arbeid en kapitaal, waarin de verschillende discriminerende identiteitscategorieën historisch vorm hebben gekregen als pijlers van het uitbuitingssysteem. 19

Wanneer het femsoc manifest deze kwestie aanraakt vertrekt het van de kapitalistische wortels van de specifieke onderdrukking van groepen (werkende) mensen en de nood aan gezamenlijke actie zonder de eigen noden opzij te zetten, en niet vanuit een nood aan erkenning van diversiteit. De verschillende historisch maatschappelijke context zit daar ongetwijfeld voor iets tussen.

“Zoals het kapitalisme verschillende groepen van werkers verdeelt, door hen te onderwerpen aan een verschillende onderdrukking, zo verdeelt het kapitalisme mannen en vrouwen. Denk maar aan de gastarbeiders die minder betaald worden, die minder of geen politieke en sociale rechten hebben en hoe die vaak ook door blanke (vandaag zeggen we witte) arbeiders gediscrimineerd worden. Wij opteren om juist samen, maar elke groep vanuit zijn specifieke problemen, aktie te voeren” p.57

Kruispuntdenken en het beleid

Het gelijkekansenbeleid in Vlaanderen bedient zich van het Kruispuntdenken op een manier die de fundamentele relatie tussen klassenuitbuiting en discriminatie op basis van identitaire groepen te verdoezelt. Als een volleerd neoliberaal beleid stelt het zich tevreden met het beschrijven van de met elkaar verweven discriminaties. Zo stelt Pascal Smet (SP.A) bv. in zijn beleidsnota:

Met een dergelijke doelgroepgeoriënteerde aanpak mag echter niet voorbij worden gegaan aan het gegeven dat verschillende achterstellingsmechanismen ook met elkaar in interactie gaan en elkaar kunnen versterken. Verschillende aspecten van identiteit komen niet onafhankelijk van elkaar tot stand, maar beïnvloeden elkaar. Mensen zijn niet alleen vrouw of man, maar ook, bijvoorbeeld, arm of rijk, holebi of hetero. Vanuit Gelijke Kansen wil ik trachten deze ‘kruispunten’ naar de oppervlakte te brengen en er beleidsmatig op inspelen.”20

Doel van deze politiek is mensen “bewustmaken” en ze voorhouden hoe ze met individuele empowerment en inzet samen de discriminaties kunnen overkomen. De truuk is de discriminatiegronden te verbinden met persoons- en groepskenmerken en niet met structurele factoren. Zo blijft men steken in een doelgroepenaanpak, die de groepskenmerken essentialiseert en/of culturaliseert. Nog maar eens Pascal Smet:

Dat vrouwen buitenshuis werken wordt vrij goed aanvaard. Binnenshuis echter wensen en realiseren de meesten uit deze groep (nieuwe Vlamingen, nvdr) een eerder traditionele rolverdeling van huishoudelijke en zorgtaken. Dit in tegenstelling tot de Vlaamse bevolking (sic) die over het algemeen thuis een meer egalitaire rolverdeling wenst, maar deze in de feiten vaak onvoldoende realiseert. De voorkeur voor een traditionele rolverdeling binnenshuis is één van de factoren, naast onder meer het opleidingsniveau, die de lage activiteitsgraad van allochtone vrouwen begrijpelijk maakt”.21

Kathleen Van Brempt (SP.A) kon er ook wat van tijdens M/V United campagne in 2007:

Om als groep gelijkheid in uitkomst te realiseren, is het nodig dat vrouwen keuzes maken waarvoor ze mogelijk niet allemaal bijzonder veel voelen. (We hebben er immers niet bepaald goede hoop op dat voldoende mannen tot “tegengestelde keuzes”te overhalen zijn om de loonkloof langs hun zijde te dichten).”22

In het gelijkekansenbeleid van de afgelopen jaren wemelt het van voorbeelden waarin een identitaire doelgroepenpolitiek de onderliggende uitbuitende structuur van het systeem verdoezelt. De “genderklik”23 van Pascal Smet is van hetzelfde laken een broek: je leert hoe gender zich manifesteert, maar historische verwevenheid ervan met de functionering van het (klassen)systeem, dat steunt op ongelijkheid, blijft verborgen.

Misschien toont dit aan dat de tijd rijp is voor een integratie van het femsoc denken en het kruispuntdenken om hiertegen effectief weerwerk te bieden.

Strategische FemSoc keuzes

Logisch met haar analyse van de onmogelijkheid van vrouwenbevrijding binnen het kapitalisme ging de femsoc beweging principieel uit van de noodzaak van enerzijds de uitbouw van een autonome vrouwenbeweging en anderzijds solidariteit met de arbeidersbeweging:

“Wij geloven dat het er op aankomt als vrouwenbeweging de solidariteit te vragen van de arbeidersbeweging met onze eisen. Hiervoor moeten we onze eigen keuzes, ons eigen programma niet opgeven. Samenwerking met organisaties van de werkende klasse rond concrete gemeenschappelijke eisen is mogelijk zonder dat wij daarom de huidige strategie en het huidig programma van die organisaties overnemen”. p. 65

In de praktijk kon die solidariteit verschillende vormen aannemen.

Voor eisen zoals abortus uit het strafrecht, die vooral betrekking hebben op persoonlijke vrijheid en autonomie van vrouwen (als onderdeel van het “patriarchaal” systeem zou men kunnen zeggen) trok een brede feministische eensgezindheid en samenwerking over de verschillende visies heen andere sociale bewegingen mee, in het bijzonder een deel van de vakbeweging. Uiteraard waren zij welkom.

Voor vrouweneisen, die vooral betrekking hebben op sociaal-economische kwesties was er veel minder eensgezindheid en animo in de feministische beweging. De noodzaak om aansluiting bij de arbeidersbeweging te zoeken, die vaak soms ronduit antifeministisch was drong zich. Onwillige bondgenoten waren het. Een feministische mentaliteitsverandering stuitte onvermijdelijk op het heersende seksisme in vakbonden. De verzoening van een feministisch engagement met een sociaal bewust engagement vergde een doorgedreven inzet van vrouwenbeweging en vrouwen binnen die vakbonden. In de praktijk werden de keuzes nog extra bemoeilijkt door onenigheid over bepaalde kwesties zoals abortus.

Dat moest de femsoc beweging ervaren bij de oprichting op haar initiatief van het front Vrouwen Tegen de Krisis of VTK in 1980, een alliantie tussen vrouwenbeweging en vakbeweging, gedragen door vrouwen. Toen rees de vraag of abortus uit het strafrecht uit het actieplatform, waarin het aanvankelijk opgenomen was, kon gehaald worden opdat de christelijke vakbondsvrouwen zich zouden kunnen aansluiten. Die toegeving is na veel discussie gedaan. Ze was aanvaardbaar omdat de strijd voor abortus uit het strafrecht via een ander platform gevoerd werd.24.

Een femsoc benadering van gegenderde machtsongelijkheid in het dagelijkse leven

Het femsoc manifest legt eenzijdig de nadruk op het gezin als onderdrukkende structuur, die ook weegt op de persoonlijke menselijke relaties.

“Want men trouwt wel vrijwillig of omdat het zo hoort, doch eens getrouwd zit men vast in een net dat bestaat uit het wederzijds exclusief bezitsrecht van de echtgenoten op elkaar, jaloezie, angst om de partner te verliezen, vrouwen – en kindermishandeling enz..” p. 27.

Het eisenplatform in het femsoc manifest staat in het teken van gelijkheid en vrijheid. Het komt op tegen seksuele stereotypering, tegen vrouwen en kindermishandeling, tegen discriminatie van zwangere leerlingen, tegen incest, tegen verkrachting, tegen discriminatie van homo’s en voor seksuele vrijheid en vrijheid om voor de erkenning van andere samenlevingsvormen dan het huwelijk.

Maar over pornografie, veiligheid op straat, prostitutie, vernederende vrouwbeelden in de reclame enz….staat er niets in, hoewel dat in de jaren 70 en 80 druk behandelde topics waren in de vrouwenbeweging.

Is de verklaring hiervoor te zoeken in de context van de veelvuldige en bruisende activiteit van de vrouwenbeweging? Verschillende groepen waren met verschillende thema’s bezig. Ze vonden elkaar in de uiteenlopende gezamenlijke acties. Vluchthuizen hadden een basisverklaring die dicht bij de femsoc analyse lag. Je werd lid van de vrienden van het abortuscentrum in Gent. Je stapte mee op in de abortusbetogingen, maar ook achter een spandoek “Wij vrouwen eisen de straat op” en je deed mee aan acties tegen geweld op vrouwen. Er was solidariteit met prostituees, die voor hun rechten opkwamen; met de radicale homobeweging. We hadden heftige discussies met de politieke lesbische beweging en over pornografie.

Terwijl heel veel energie naar actie ging, was er een soort impliciete thematische werkverdeling binnen die mozaiek aan groepen die de vrouwenbeweging vormden. Iedereen was tegelijk met haar ding bezig en men ageerde gezamenlijk.

Wat het FemSoc manifest toen wilde benadrukken was de relatie tussen vrouwenonderdrukking en onderdrukking van andere groepen en kapitalistisch klassen uitbuiting. Tot een actualisering van de tekst is het nooit gekomen. Elementen daarvan zijn zeker te vinden in artikels in het blad Schoppenvrouw, dat de FemSoc beweging vele jaren overleefde.

Ook voor de direct met lichaam en seksualiteit verbonden vormen van genderonderdrukking rijst de vraag naar de relatie met het kapitalistisch systeem. Ze lijken autonoom te bestaan en tot op zekere hoogte is dat ook zo. Mannen lijken de vijand te zijn en weerom tot op zekere hoogte is dat ook zo. Het zijn vooral mannen die zich schuldig maken aan geweld tegen vrouwen.

Als het van het beleid afhangt is geweld tegen vrouwen, homo’s, lesbiennes, transgender personen een kwestie van individuele ingesteldheid. Het volstaat wettelijk in te grijpen tegen de geweldplegers. Meestal mannen, al houdt men er vandaag van het neutraal te formuleren. Maar ook dat wijst op de eenzijdig geïndividualiseerde aanpak, waarbij men alleen maar probeert te vermijden mannen te herleiden tot de groep van de geweldplegers en vrouwen tot die van de slachtoffers. Alleen voor allochtonen lijkt deze bekommernis niet helemaal te gelden, toch niet in het discours dat men daarover houdt in beleid en media.

Ondanks die aandacht voor onzijdigheid zijn toch net vooral mannen die de geweldplegers zijn tav vrouwen en kinderen! Uit biologische voorbestemdheid of omwille van een gegenderde maatschappelijke machtsongelijkheid?

Zo lijkt het heersende discours te balanceren tussen een voorstelling van zaken die ofwel geweldplegers en slachtoffers tegenover elkaar stelt als groep ofwel het geweld neutraal individualiseert. Twee voorstellingen die persoonlijk geweld los zien van de structurele ongelijkheid en het structureel geweld in onze samenleving.

Een klant die een prostituee geweld aandoet moet een halt toegeroepen worden. Maar moeten alle klanten van prostituees gestraft worden, zoals Europa aanraadt? Wat zegt dat over de achterliggende visie op prostitutie? Is prostitutie een simpele en tijdloze kwestie van daders en slachtoffers? En wat zegt dat over de kansen op succes? Kadert prostitutie niet eveneens in een systeem dat mensen (economisch) dwingt niet alleen hun arbeidskracht maar ook hun lichaam te verkopen? Waarom wordt het eerste omgeven met een halo van arbeidsethos, terwijl het tweede schijnheilig verguisd wordt als een verwerpelijke uitwas van de samenleving, met alle gevolgen van dien voor de prostituees, alsof beide niet voortkomen uit eenzelfde maatschappelijk systeem en zijn crisissen? In de argumenten van de European Women’s Lobby vind je weinig terug van dergelijke fundamentele bevraging ten voordele van de individuele benadering.25

Met betrekking tot pornografie rijzen gelijkaardige vragen.

Een visie op de verbondenheid van structureel en individueel geweld is nodig om te begrijpen dat vooral ingrijpen op het individuele niveau nooit tot echte oplossingen kan leiden. Dat heeft niets te maken met een verlangen naar mirakeloplossingen of een houding van alles of niets. Maar misschien helpt het wel om te opteren voor die oplossingen die de slachtoffers vooruit helpen, die de kritiek op de kapitalistische uitbuiting en onderdrukking meenemen en die stroken met een ruimer perspectief van een geweldloze samenleving van gelijke mensen.

Oorsprong van vrouwenonderdrukking

Voor feministen voor wie vrouwenonderdrukking historisch is en te situeren in de maatschappelijke structuur en de daarbij horende geconstrueerde genders is de zoektocht naar de oorsprong en evolutie van vrouwenonderdrukking altijd belangrijk geweest.

Marxistische historici, sociologen en antropologen leverden de inspiratie voor theorieën over de oorsprong van vrouwenonderdrukking. Het femsoc manifest baseerde zich op de lectuur daarover om te stellen dat naast de eerste takenverdeling volgens het geslacht in de eerste landbouwgemeenschappen en de noodzaak om de voortplanting te controleren en te organiseren

“de eerste tekenen van vrouwenonderdrukkking samenvallen met gemeenschappen die in oorlogen verwikkeld geraken. Oorlog betekent inschakeling van mannelijke lichaamskracht, het opkweken van agressieve jongens, de prioriteit aan het mannelijk geslacht, onderdrukking van vrouwen en verwaarlozing tot doden van meisjesbaby’s. Natuurlijk is ook dat een theorie waar we niet zeker van zijn”. p. 37

Het debat over deze kwesties was eindeloos. Je geraakte er eigenlijk niet uit, omdat het ging over prehistorische periodes en de bewijzen uiteindelijk toch altijd ongrijpbaar bleven. Het femsoc manifest dekt zich daar tegen in door te stellen dat

“De studie van ons eigen verleden belangrijk is. Ze is een sterk argument tegen de bewering dat de positie van vrouwen in een maatschappij een natuurlijk gegeven is. En die studie is vooral belangrijk om aan te tonen dat als de positie van de vrouwen wel degelijk veranderd en geëvolueerd is met de maatschappij, het nu ook nog kan veranderen!” p. 33

Zonder hier lang bij stil te staan loont het toch de moeite te vermelden dat enerzijds jammer genoeg voorbeelden van egalitaire culturen beschreven in de antropologie verdwijnen26 maar anderzijds intussen de studie van de archeologie alweer een heel stuk gevorderd is en nieuwe wetenschappelijk onderbouwde inzichten mogelijk maakt over het ontstaan en de ontwikkeling van ongelijke genderverhoudingen en kwesties als seksuele arbeidsdeling/sociale differentiatie, gender/sociale hiërachie/oorlog, matriarchaat/patriarchaat, Godin-moeder-schepping /mannelijke goden-voortplanting en hun inbedding in de sociale productieverhoudingen. Het lijkt er op dat het neolithicum effectief een scharnierperiode was voor het ontstaan vrouwenonderdrukking.27

Feminisme en socialisme

Een historische visie op vrouwenonderdrukking als geworteld in de materiële samenleving leidt tot de theoretische conclusie dat een einde kan gesteld worden aan die onderdrukking mits een verandering van die materiële samenleving. Als het kapitalistisch systeem altijd allerlei weliswaar gewijzigde en aangepaste vormen van vrouwenonderdrukking zal voortbrengen, is het dan zoveel beter geweest onder het communisme?

Een analyse van de postkapitalistische maatschappijen leidt tot twee grote conclusies: het omverwerpen van de kapitalistische orde op zich volstaat niet om de oude onderdrukkende mechanismen op te heffen maar geven wel een noodzakelijke aanzet; het potentieel daarvan werd gesmoord omdat de Sovjet-Unie evenmin als China uitgegroeid was tot democratische socialistische samenleving. Over de relatie tussen vrouwenbevrijding en socialisme zegt het niets. Des te meer zegt het over de relatie tussen de stalinistische dictatuur en nieuwe vormen van vrouwenonderdrukking: ongelijke gegenderde man/vrouw verhoudingen in ruil voor participatie aan de productie en een holle heldinnen- en moeder des vaderlands verering, die de grimmige realiteit van het dagelijks leven van gewone vrouwen en mannen moet verhullen. Het femsoc manifest stelt hierover:

“Maar dat de revolutie toch iets veranderde bewijst de afschaffing van de wetten op het burgerlijk huwelijk in de Sovjet-Unie onmiddellijk na de revolutie. Waar het economisch haalbaar was, én sociaal, gingen dan ook experimenten van stapel. Die gunstige evolutie werd in de kiem gesmoord toen de arbeidersdemocratie vernietigd werd. In de Sovjet-Unie was het dan ook de stalinistische bureaucratie die in de jaren ’30 de oude wetten op het huwelijk (die na de revolutie afgeschaft waren, nvdr) herinstelde28. Dit had voor gevolg dat het begin van vrouwenbevrijding onmiddellijk weer beperkt werd” p.45

Het onderscheid dat het femsoc manifest maakt tussen stalinisme en democratisch socialisme is vandaag minder dan ooit populair na de ineenstorting van de Sovjet-Unie. Hetzelfde geldt voor de studie van de relatie tussen vrouwenbevrijding en socialistische omwenteling. Toch blijft die zeker relevant voor een feministisch-socialistische strategie vandaag.

De keuze is immers niet kapitalisme of stalinistisch socialisme. De keuze is een winstgedreven uitbuitende samenleving of een democratische zelfbeheerde samenleving, die de mensen zelf samen vorm geven.

  1. 1 Pascal Smet, minister (wijziging zogenaamd genderdecreet), Gie Tegenbos, opiniemaker (DS 07/03/14), Astrid De Lathouwer, bedrijfsleidster (DS 08-09/03/14), Magda De Meyer, feminist (DWM 07/03/14)
  2. 2 Zoals Kathleen Van Brempt deed met het glossy magazine “Team Time”dat ze gratis verspreidde nav de campagne M/V United in 2007.
  3. 3 Tenzij ze in een heel specifieke context nuttig kunnen zijn zoals bv. Malalai Joia, die als individuele heldin opgevoerd wordt.
  4. 4 Femsoc Manifest, 8 maart 1980.
  5. 5 Tegenwoordig wordt vaak meewarig gedaan over de termen vrouwenonderdrukking en –bevrijding als niet meer van deze tijd. Dat lijkt meer op ideologie dan op feiten te berusten.
  6. 6 Sekse in de betekenis van ‘natuurlijk’ geslacht en gender in de betekenis van ‘sociaal geconstrueerd’ geslacht.
  7. 7 Zoals Simone De Beauvoir stelt: “Je wordt niet als vrouw geboren, je wordt tot vrouw gemaakt”.
  8. 8 Het seks/gendersysteem als analytisch begrip begon pas in de tweede helft van de jaren 70 door te dringen.
  9. 9 Cfr Mannen komen van mars, vrouwen van Venus dat populaire mythes over genderverschillen naturaliseert
  10. 10
  11. 11 Met daarbij de eisen van terugbetaling door het ziekenfonds, gratis voorbehoedmiddelen enz..
  12. 12 De hoge mate van zelfbeschikking die de wet vrouwen toekent is het resultaat van rechtstreekse beïnvloeding van de indieners, en in het bijzonder mevrouw Hermann-Michielsen, van de wet door de (illegale) abortuscentra en abortusbeweging.
  13. 13 Met Dolle Mina hadden wij een affiche met een chique madam en een volkse vrouw en de vraag: waarom voor haar wel en voor haar niet!
  14. 14 Oerdiscussie omdat ze veel verder teruggaat dan de jaren 70 en de tweede feministische golf. Echt interessant is te herlezen wat bijvoorbeeld Alexandra Kollontai daarover te vertellen heeft. Een voorbeeld uit de vele: “ Access to the ballot box and the deputy’s seat is the true goal of the feminist movement. And the more politcally conscious of the working women are aware that neither political nog legal equality can finally settle the “woman question”. As long as a woman has to sell her labour power and suffer capitalist slavery, she will not be a free and independent person” Holt, Alix, Alexandra Kollontai, Selected Writings, Allison & Busby, London, 1977, p. 52
  15. 15 gender als sociaal geconstrueerde vrouwelijkheid en mannelijkheid
  16. 16 Zo werd bijvoorbeeld pariteit van mannen en vrouwen in de politiek of in leidende organen in de bedrijfswereld verdedigd van uit argumenten als: vrouwen doen op een ander manier aan politiek of geven op een andere manier leiding, wat een argumentatie is van uit een essentialistische vrouwelijke identiteit en vanuit een man vrouw diversiteit en niet vanuit het democratisch deficit van ons parlementair systeem, dat vrouwen discrimineert, zoals ook de bedrijfswereld vrouwen discrimineert. Zo wordt de identiteit die op basis van gender is geconstrueerd een essentialistisch kenmerk van vrouwen met daar tegenover de mannelijke essentialistische identiteit.
  17. 17 Arikoglu, Fatma; Brandt, Nella van den; Geerts, Evelien; Scheepers, Sarah (2013). “Naar antiracistische, feministische kritiek en perspectieven via het kruispuntdenken.” Kif Kif, 10/09/2013.
  18. 18 Bracke Sarah & De Mul Sarah, In naam van het feminisme. Beschaving, multiculturaliteit en vrouwenemancipatie, in Leeuw in Kooi (nog opzoeken).
  19. 19
     Zie ook de interessante kritiek van Eve Mitchell op het kruispuntdenken: I am a woman and a human: a Marxist feminist critique of intersectionality theory ( http://libcom.org/library/i-am-woman-human-marxist-feminist-critique-intersectionality-theory-eve-mitchell )
  20. 20
     http://www.vlaanderen.be/sites/default/files/documents/28_gelijkekansen_2009_2014.pdf p. 16
  21. 21
     ibid. P. 43
  22. 22
     MV united Loopbaankloof,Luc Sels en Gert Theunissen(p.101)
  23. 23
     verwijzen naar website
  24. 24
     Heel wat christelijke vrouwen, vakbondsverantwoordelijken en politica’s incluis, stonden persoonlijk achter een liberalisering van abortus maar konden daar niet openlijk voor uitkomen.
  25. 25
     European Women’s Lobby: Brussels’ Call “Together for a Europe free from prostitution”
  26. 26
     Zie bijvoorbeeld de interessante getuigenis van archeoloog Francis Van Noten: !Kung Bosjesmannen in de Kalahari, Africa-Tervuren, XI 1965, 2 p. 40 – 48
  27. 27
     Zie bijvoorbeeld: Patou-Mathis, Marilène, Préhistoire de la violence et de la guerre, Paris, Odile Jacob, pp. 57 – 88
  28. 28
     Zo werd ook abortus in 1920 gelegaliseerd in de Sovjet-Unie en in 1936 door Stalin weer verboden.